Search results

Your search found 25 items
Sort: Relevance | Topics | Title | Author | Publication Year
Home  / Search Results
Author(s): Arkin, Kimberly A.
Date: 2018
Date: 2016
Abstract: This book is the first comprehensive study of postwar antisemitism in the Netherlands. It focuses on the way stereotypes are passed on from one decade to the next, as reflected in public debates, the mass media, protests and commemorations, and everyday interactions. The Holocaust, Israel and 'the Jew' explores the ways in which old stories and phrases relating to 'the stereotypical Jew' are recycled and modified for new uses, linking the antisemitism of the early postwar years to its enduring manifestations in today's world.

The Dutch case is interesting because of the apparent contrast between the Netherlands' famous tradition of tolerance and the large numbers of Jews who were deported and murdered in the Second World War. The book sheds light on the dark side of this so-called 'Dutch paradox,' in manifestations of aversion and guilt after 1945. In this context, the abusive taunt 'They forgot to gas you' can be seen as the first radical expression of postwar antisemitism as well as an indication of how the Holocaust came to be turned against the Jews. The identification of 'the Jew' with the gas chamber spread from the streets to football stadiums, and from verbal abuse to pamphlet and protest. The slogan 'Hamas, Hamas all the Jews to the gas' indicates that Israel became a second marker of postwar antisemitism.

The chapters cover themes including soccer-related antisemitism, Jewish responses, philosemitism, antisemitism in Dutch-Moroccan and Dutch- Turkish communities, contentious acts of remembrance, the neo-Nazi tradition, and the legacy of Theo van Gogh. The book concludes with a lengthy epilogue on 'the Jew' in the politics of the radical right, the attacks in Paris in 2015, and the refugee crisis. The stereotype of 'the Jew' appears to be transferable to other minorities.

Contents:

Preface

1 Why Jews are more guilty than others : An introductory essay, 1945-2016
Evelien Gans
Part I Post-Liberation Antisemitism
2 ‘The Jew’ as Dubious Victim
Evelien Gans
3 The Meek Jew – and Beyond
Evelien Gans
4 Alte Kameraden: Right-wing Antisemitism and Holocaust Denial
Remco Ensel, Evelien Gans and Willem Wagenaar
5 Jewish Responses to Post-Liberation Antisemitism
Evelien Gans
Part II Israel and ‘the Jew’
6 Philosemitism? Ambivalences regarding Israel
Evelien Gans
7 Transnational Left-wing Protest and the ‘Powerful Zionist’
Remco Ensel
8 Israel: Source of Divergence
Evelien Gans
9 ‘The Activist Jew’ Responds to Changing Dutch Perceptions of Israel
Katie Digan
10 Turkish Anti-Zionism in the Netherlands: From Leftist to Islamist Activism
Annemarike Stremmelaar
Part III The Holocaust-ed Jew in Native Dutch Domains
since the 1980s
11 ‘The Jew’ in Football: To Kick Around or to Embrace
Evelien Gans
12 Pornographic Antisemitism, Shoah Fatigue and Freedom of Speech
Evelien Gans
13 Historikerstreit: The Stereotypical Jew in Recent Dutch Holocaust Studies
Remco Ensel and Evelien Gans
Part IV Generations. Migrant Identities and Antisemitism in the Twenty-first Century
14 ‘The Jew’ vs. ‘the Young Male Moroccan’: Stereotypical Confrontations in the City
Remco Ensel
15 Conspiracism: Islamic Redemptive Antisemitism and the Murder of Theo van Gogh
Remco Ensel
16 Reading Anne Frank: Confronting Antisemitism in Turkish Communities
Annemarike Stremmelaar
17 Holocaust Commemorations in Postcolonial Dutch Society
Remco Ensel
18 Epilogue: Instrumentalising and Blaming ‘the Jew’, 2011-2016
Evelien Gans
Date: 2011
Author(s): Sheldon, Ruth
Date: 2016
Author(s): Friedmann, Elise
Date: 2009
Abstract: Het jaar 2008 was relatief rustig met 108 incidenten, een zeer lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor. Het jaar was nog niet eens afgelopen toen de Israelische actie in Gaza begon: in minder dan één maand kwamen er 98 meldingen binnen, bijna evenveel als in heel 2008. CIDI rapporteerde deze periode apart en analyseerde de hatemails om te zien wat voor antisemitische ideeën achter de hategolf zaten.

Na een relatief rustig jaar 2008, met 108 antisemitische incidenten tegen 104 in het jaar daarvoor, telde CIDI tijdens de operatie Cast Lead (27 december 2008 tot 23 januari 2009) in minder dan één maand 98 antisemitische incidenten. Dat is bijna evenveel als in het hele jaar 2007 of 2008. Dit is een internationale beweging. Andere Europese landen registreerden ook een sterke stijging, terwijl de ontwikkeling van het aantal antisemitische incidenten in ‘rustige perioden’ per land heel verschillend kan zijn.

Tijdens de Gazaperiode was het aantal meldingen van ernstige incidenten – fysiek geweld en concrete bedreiging daarmee – hoger dan in elk van de twee jaren daarvoor (3 in 2007, 5 in 2008, 9 tijdens Gaza).

Antisemitische uitingen op internet zijn als vanouds niet door CIDI geteld. Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) meldde, evenals de politie, voor 2008 een vergelijkbare rust. Het aantal antisemitische incidenten dat politie en MDI registreerden in 2008 was echter hoog in verhouding tot andere discriminerende incidenten. Hoewel het geschatte aantal Joden in Nederland (40.000) veel lager is dan het aantal moslims (850.000 in 2007), registreerde de politie in 2008 141 incidenten wegens ‘Joods zijn (of er zo uitzien)’, tegen slechts 116 incidenten wegens ‘Moslim zijn (of er zo uitzien)’. En hoewel de meeste bij MDI gemelde uitingen in 2008 betrekking hadden op moslims (met een verschil van 1), zijn de meeste strafbaar geachte uitingen in 2008 (252) antisemitisch.

Als altijd bij dergelijke pieken viel tijdens de Gazaperiode de grote stijging van antisemitische e-mails op. Het eveneens hoge aantal meldingen van antsemitische uitingen op internet – vrijwel altijd lezersreacties op bona fide nieuwssites – is door CIDI als gewoonlijk niet geteld; de meeste zijn gemeld bij het MDI. Dat telde tijdens de Gazaperiode 78 antisemitische uitingen, “tweemaal zoveel als normaal”.

Voor zover een signalement bekend is, waren de daders van ‘real life’-incidenten vrijwel altijd Marokkaans of ‘er zo uitziend’. Er zijn daarentegen aanwijzingen dat onder de circa vijftig mensen die hun haat per email of schriftelijk uitstortten over Joodse en Israelische instellingen en personen, waarschijnlijk veel autochtonen waren. Daarbij werden weinig rechts-extremistische uitdrukkingen of beelden gebruikt.

In reacties op het gebeuren in Gaza uitten veel mensen niet alleen een politieke mening over de daden van de Israelische regering (hetgeen door CIDI niet als antisemitisch wordt geteld), maar spuiden zij klassieke antisemitische vooroordelen over ‘de’ Joden.
Daarbij werd opvallend vaak de Holocaust ontkend of gebagatelliseerd. In de gemelde e-mails in 2007 werd dit geen enkele maal gedaan, in 2008 zeven keer; tijdens de Gazaperiode 20 maal. Vergelijkingen tussen Israel/Joden/Israeli’s enz en nazi’s kwamen in 2007 tweemaal voor, in 2008 11 keer; tijdens de Gazaperiode 19 keer. Nog vaker werd gezegd dat de Holocaust ‘volkomen terecht’ was, ‘afgemaakt’ had moeten worden, of alsnog moet worden afgemaakt omdat ‘alle Joden dood moeten’. Dit was de meest voorkomende antisemitische uitspraak in de geanalyseerde e-mails: hij werd tweemaal gedaan in 2007, 15 keer in 2008 en 23 keer tijdens ‘Gaza’.

Het gelijkstellen van Israelische acties aan de Holocaust, of zelfs zeggen dat de Holocaust minder erg is dan Israelische acties, is nooit eerder zo massaal in Nederland gepropageerd als tijdens de Gazaperiode. Dit gebeurde door op grote schaal via internet en e-mail verspreide fotomontages, maar meer nog door specifiek op Nederland gerichte pamfletten die in enorme aantallen door het hele land huis aan huis zijn verspreid. Taalfouten in de tekst achterop het pamflet lijken te wijzen op niet-Nederlandse opstellers. Gezien de grote schaal van de verspreiding en de gemaakte kosten gaat het mogelijk om een organisatie.

In alle categorieen incidenten was vooral de grootschaligheid van de haat verontrustend. Honderden, met tv-kijkers meegeteld duizenden mensen die helemaal niets te maken hebben met het conflict, werden er ongevraagd mee geconfronteerd. Vooral de spreekkoren die tijdens demonstraties ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ en ‘ Hitler, Hitler, Hitler’ scandeerden, maakten een beangstigende indruk op grote aantallen ooggetuigen en tv-kijkers.

De heftige reactie op gebeurtenissen in het buitenland, alléén wanneer het om Israel gaat, blijft een zorgelijk fenomeen. Daarbij is het verontrustend dat ook mensen die zich niet antisemitisch uiten het vaak volkomen normaal lijken te vinden dat anti-Israelgevoelens leiden tot anti-Joodse gevoelens en daden. Zo lang deze foute grondhouding blijft bestaan, kan de Joodse gemeenschap in Nederland op elk willekeurig moment, steeds opnieuw, het slachtoffer worden van een nieuwe antisemitismegolf. Het is een waanidee dat op alle mogelijke manieren voortdurend moet worden bestreden.

Uit een analyse van onder meer de bij CIDI gemelde e-mails blijkt dat voor de verzenders de Holocaust niet langer geldt als universele waarschuwing tegen antisemitisme. Deze hatemailers schuiven integendeel Israel/Joden enz. ten onrechte vergelijkbare of ergere vergrijpen in de schoenen als rechtvaardiging voor antisemitisme en om het bestaansrecht te betwisten van niet alleen Israel, maar vaak het gehele Joodse volk waar ook ter wereld. Voorstellen zoals van de VVD, die maken dat het ontkennen van de Holocaust onder bijna alle omstandigheden niet langer strafbaar is, zijn juist in deze omstandigheden buitengewoon contraproductief.

Bovendien gaat van het feit dat Justitie antisemitisme uiterst traag en soms pas na veel aandringen en lijkt te vervolgen een verkeerde voorbeeldwerking uit. Direct benadeelden blijven zich onveilig voelen doordat Justitie hen meestal niet informeert als er wel actie wordt ondernomen.

CIDI merkt al jaren op dat de sfeer in Nederland, ook tijdens ‘piekjaren’, minder grimmig is dan in andere Europese landen. Daarvoor verdienen onder meer landelijke politici een compliment, althans degenen onder hen die niet ‘meehuilen met de wolven in het bos’. Hun grote inzet bij het bestrijden van racisme en van de verharding van het maatschappelijk discours mag niet onderschat worden. Het is te hopen dat dit zo blijft.
Author(s): Deprez, Karolien
Date: 2004
Abstract: Sinds het voorjaar van 2002 wordt Antwerpen beschouwd als een lokale conflicthaard voor een internationaal conflict. Naar aanleiding van een aantal gewelddadige confrontaties tussen ‘joden’ en ‘moslims’ werd erop gewezen dat het Israëlisch-Palestijns conflict ook in Antwerpen voet aan grond begon te krijgen. Het gevolg daarvan zou onder andere, een toenemend antisemitisme zijn vanwege ‘islamitische’ allochtonen. De verklaringen voor de spanningen tussen beide geloofsgemeenschappen moeten volgens zowel politiek als media worden gezocht in het Israëlisch-Palestijns conflict. Antwerpse ‘moslims’ zouden sympathiseren met hun Palestijnse ‘broeders’ en hun frustratie uitwerken op hun ‘joodse’ stadsgenoten. Het transfereren van een internationale naar een lokale Antwerpse context werd gemeenzaam ‘de import van het Israëlisch-Palestijns conflict’ genoemd.

In het kader van een licentiaatverhandeling werd deze vermoedelijke identificatie onder de loep genomen. De nadruk lag daarbij niet op het geweld of op de aanwezige ‘import’ maar op de ‘joodse’ en ‘islamitische’ gemeenschappen in Antwerpen. Dit onderzoek vertrekt van de autobiografie van Dyab Abou Jahjah, ‘Tussen twee werelden. Roots van een vrijheidsstrijd’. Tijdens een reeks groepsgesprekken met zowel leden van de Antwerpse ‘joodse’ als ‘islamitische’ gemeenschappen, trachtten we te achterhalen hoe de respondenten zichzelf omschreven, hoe ze de ‘andere’ (‘joden’ of ‘moslims’) definieerden en in welke mate het Israëlisch-Palestijns conflict daar een rol bij speelde. We focusten daarbij vooral op etnische, nationale en religieuze aspecten van hun identiteit. De respondenten werden geselecteerd op basis van hun lidmaatschap van politiek-ideologische, religieuze of jongeren- of vrouwenorganisaties, al bleek het een moeilijke opdracht om organisaties te vinden die bereid waren mee te werken en tegelijkertijd binnen dit profiel pasten. De deelnemende organisaties aan ‘joodse’ kant (B’Nai B’Rith, Unie der Joodse Jongeren van Antwerpen, Women’s International Zionist Organisation –WIZO- en WIZO Informatiegroep Midden-Oosten) waren allemaal zionistische organisaties en kunnen bijgevolg allemaal als politiek-ideologisch worden gelabeld, terwijl een religieuze organisatie ontbreekt. De ‘islamitische’ organisaties (Arabisch-Europese Liga, El Moustaqbal, Jongeren voor Islam en Student Focus) daarentegen vormen wel een correct staal.

De gesprekken maakten ons duidelijk dat identiteiten, zowel bij ‘joden’ als ‘moslims’, geplaatst moeten worden binnen de context. Los van de gegeven conflictsituatie lijkt identiteit een moeilijk te definiëren begrip te zijn. De respondenten wijzen zelf op verschillende deelidentiteiten, al blijkt meestal toch één subidentiteit te overheersen. De ‘joodse’ respondenten wezen zonder meer op een sterke band met het ‘thuisland’ Israël. De ‘islamitische’ respondenten legden de nadruk op hun religieuze overtuiging, al blijkt bij de Arabisch-Europese Liga de Arabische nationale identiteit te overheersen. In die zin vertonen de standpunten van de ‘joodse’ respondenten structurele gelijkenissen met deze van de AEL. Beide hechten vooral belang aan de natie(staat), respectievelijk Israël en de Arabische natie. Bij de overige ‘islamitische’ respondenten blijkt het niet zozeer hun identiteit te zijn die de identificatie bepaalt, maar eerder de aanwezigheid van onderdrukking (i.e. een conflictsituatie). Deze ‘moslims’ identificeren zich met de Palestijnen omdat er sprake is van onderdrukking. De identificatie wordt versterkt door de gemeenschappelijke Arabische etnische afkomst of religieuze overtuiging. Zonder deze conflictsituatie zou de band hoogstwaarschijnlijk minder sterk zijn.


Daarnaast blijkt dat de etnische en religieuze identiteiten van zowel ‘joden’ als ‘moslims’ niet voor iedereen dezelfde betekenis hebben. Terwijl voor de ene het ‘joods-zijn’ enkel en alleen een religieuze overtuiging is, verwijst de andere naar de ‘joden’ als “één religie, één nationaliteit, één volk” . Hetzelfde geldt voor de ‘islamitische’ respondenten. De islam lijkt voor een aantal respondenten hun Marokkaanse etniciteit te vervangen, terwijl anderen ook daar enkel en alleen het religieuze in zien. De Marokkaanse herkomst verdwijnt binnen deze context vaak naar de achtergrond.


Wanneer we beide partijen naar hun mening over elkaar peilden, leek die vooral te worden bepaald door stereotypen en vooroordelen. Oude stereotypen zoals de ‘jood’ als ‘rijke machtswellusteling’ bestaan nog steeds, maar ook ‘moslims’ worden al te vaak beschreven als ‘terroristen’. Uit de gesprekken blijkt dat het niet enkel het Israëlisch-Palestijns conflict is dat de standpunten van beide partijen bepaalt, maar dat die moeten gesitueerd worden binnen een breder perspectief. De polarisatie duidt eerder op een ruimere identificatie, namelijk het joods-christelijke Westen tegenover het Arabisch-islamitsche Oosten. Het gebruik van termen als ‘import’ of ‘verbinnenlandsing’ geeft volgens ons bijgevolg een vertekend beeld over deze identificatieprocessen. De respondenten van dit onderzoek zijn zélf het product van deze geglobaliseerde samenleving. Hun identiteiten worden dan ook gevormd door deze ‘postnationale samenleving’, waar conflicten in een ander werelddeel zelfs in Antwerpen voor beroering kunnen zorgen. Deze identificatie blijft bijgevolg niet enkel beperkt tot Antwerpse ‘moslims’, maar geldt evengoed voor de ‘joodse’ respondenten. Het verschil tussen de ‘joodse’ en de ‘islamitische’ respondenten ligt in de manier waarop ze daar elk mee omgaan. Terwijl de ‘joden’ zich engageren in Israël zélf, trachten de ‘moslims’ hun standpunten te verdedigen in Antwerpen. We prefereren bijgevolg het begrip ‘transnationale solidariteit’ in plaats van het ‘importeren’ van een conflict. Het ‘importeren’ legt ons inziens te veel de nadruk op de grenzen van de traditionele natiestaat, terwijl uit onze gesprekken blijkt dat deze meer en meer aan belang moet inboeten. We kunnen ons niet langer opsluiten in ons eigen dorp of onze eigen natiestaat, nu de wereld zélf een dorp geworden is…
Author(s): Sheldon, Ruth
Date: 2013
Abstract: This is an ethnographic study of student politics relating to Palestine-Israel within British universities. Palestine-Israel has been a focal issue within British campuses for over four decades, manifesting in intense, high profile conflicts, which have been subject to competing political and media framings. In this thesis, I identify this as a case of what Nancy Fraser (2008) describes as 'abnormal justice', a situation of incommensurable, spiralling conflicts over the 'what', 'how' and 'who' of political community. I show how students' engagement with Palestine-Israel raises spectres of entangled histories of the Holocaust and colonialism, and tensions over the national versus global boundaries of the polity. Moving beyond abstract portrayals of this as a conflict between discrete ethno-religious groups or autonomous moral actors, I attend to students' complex personal experiences of these political dynamics. My central argument is that PalestineIsrael exerts discomforting, at times irreconcilable, claims over participating students, arising out of violent histories, ongoing racisms, complex transnational attachments and " the rationalism of post-imperial British universities. I trace how unsettling ambiguities and a desire for moral coher.,e nce are enacted within this campus politics, analysing how institutional practices of containment and shaming lead to 'tragic' moments of passionate aggression, which then circulate in the media. Contributing to a cross-disciplinary turn towards affect, aesthetics and ethics in the study of public spheres, I stake a claim for responsive ethnography with ethical ambitions. I do so by drawing our attention beyond spectacular political conflicts, showing how students cultivate reflexive practices and express uncertainty, care and commitment within overlooked, 'ordinary' spaces of the campus. In these ways, I show how attending to intersubjective political experience provides vital insights into the motivations and desires at stake in justice conflicts, and operis up expansive possibilities for reflexivity and creativity within the public institutions of democratic societies
Date: 2016
Abstract: Face à la recrudescence des actes antisémites depuis les années 2000, les Français juifs sont de plus en plus nombreux à rejoindre Israël, à faire leur alya, ou, sans quitter le pays, à changer de ville et d’habitudes pour se sentir à nouveau en sécurité. La communauté juive est travaillée par l’inquiétude, redoutant la violence et la malveillance auxquelles elle est de plus en plus confrontée.

Jérôme Fourquet et Sylvain Manternach s’emparent de ce ressenti avec pour objectif de poser le sujet en des termes dépassionnés et sur la base de données chiffrées et objectives. Statistiques, enquêtes d’opinion, résultats électoraux sont mis à contribution. A partir d’un cumul d’enquêtes grand public de plus de 45 000 personnes, un sous-échantillon de 724 personnes se déclarant de confession ou d’origine juive a été constitué et 80 entretiens individuels approfondis ont permis de préciser, sur le plan qualitatif, la manière dont se forment les opinions mesurées par les sondages.

En l’espace de quinze ans, le nombre d’actes antisémites a augmenté de façon significative par rapport à la fin des années 1990. La progression n’est pas linéaire (avec des pics liés aux périodes de tensions et conflits au Proche-Orient) et se caractérise par la répétition d’un même motif : les menaces et les injures suivies de violences.

Les établissements scolaires et les lieux de culte sont particulièrement visés et, contre toute-attente, chaque attaque ou agression marquante est le plus souvent suivie d’agressions non moins traumatisantes. Après l’attentat de Toulouse commis par Mérah en 2012, 90 actes au moins ont été recensés en dix jours seulement. A cela s’ajoutent les manifestations de rue – de « Jour de Colère » aux rassemblements pro-palestiniens – où sont régulièrement scandés des slogans antisémites.

L’angoisse qui gagne la communauté juive est telle que certains n’hésitent pas à parler de « pogroms », notamment après la manifestation pro-palestinienne de Paris en juillet 2014 et les émeutes à Sarcelles. L’emploi du terme est contesté par certains, jugé inadéquat par d’autres, mais il en dit long sur le malaise ressenti par la communauté juive.

Les montées d’antisémitisme succèdent généralement à la reprise des violences au Proche-Orient, à l’envenimement du conflit israélo-palestinien. Toute une partie de la communauté juive a pleinement intériorisée cette corrélation et dès que les hostilités s’intensifient, elle change ses habitudes et prend des précautions. Cet arrière-fond géopolitique autorise deux remarques : d’une part, le conflit a des effets retentissants en France, il divise et il stigmatise ; d’autre part, cela permet de fournir une première explication à la surreprésentation des jeunes arabo-musulmans parmi les auteurs de violences envers la communauté juive, l’identification à la cause palestinienne conduirait à la « haine des juifs ».

Ce climat d’insécurisation conduit beaucoup de familles juives à changer de modes de vie. Depuis 2000, en Seine-Saint-Denis, elles sont nombreuses à avoir quitté les grands ensembles pour s’installer dans des communes pavillonnaires. Si l’ascension sociale peut être à l’origine de ces mouvements, c’est le désir de retrouver un cadre de vie rassurant qui pèse principalement dans le choix des familles. Sont privilégiées les villes comme Le Raincy, Villemomble et Gagny où il existe déjà une petite communauté juive et où se trouvent des écoles et des synagogues.

La logique de regroupement prend sens aussi quand les municipalités marquent leur camp dans le conflit israélo-palestinien. Dans les communes qui affichent un soutien fort aux luttes palestiniennes, les juifs se sentent discriminés ; à l’inverse, dans celles jumelées à des villes israéliennes, la communauté juive s’agrandit.

En outre, le choix des familles juives s’étend à celui de l’école pour les enfants. Nombreux sont les parents qui retirent leurs enfants des écoles publiques au profit d’écoles privées catholiques ou juives, non sans cas de conscience pour certains qui sont partagés entre l’attachement à l’école républicaine et le souci de la sécurité de leurs enfants.

Sur le plan politique, le sentiment d’insécurité et l’impression d’une absence de soutien dans la société ont conduit au divorce avec la gauche et à la préférence pour la droite traditionnelle. Alain Madelin d’abord, puis Nicolas Sarkozy rencontrent un écho très favorable au sein de la communauté juive. Néanmoins, et c’est un phénomène récent, le vote en faveur du Front national se développe.

Dans le même temps, la France est devenue le premier foyer d’émigration vers Israël, devant les Etats-Unis, alors que la communauté juive y est beaucoup plus importante. Depuis 2006, 26 000 personnes ont quitté la France pour Israël ; en 2014, 7 231 juifs français ont fait leur alya. Ce qui, il y a vingt ans, était une lubie pour idéalistes ou pour « quelqu’un qui avait raté sa vie » comme le souligne un interviewé, est devenu un projet de vie, une alternative à l’insécurité grandissante et une solution pour vivre en paix.

A travers cet ensemble de choix nouveaux, de réactions au sein de toute une partie de la communauté juive, se dégage une série de symptômes inquiétants qui concerne toute la société française.
Author(s): Klug, Brian
Date: 2005
Abstract: The recent discourse on ‘new antisemitism’ and the Israeli-Palestinian conflict sometime gives the impression that Europe is fundamentally and irredeemably antisemitic. Klug maintains that, while there is a persistent vein of antisemitism in the culture, and while there is evidence of an increase in anti-Jewish attacks since 2000, this perception of Europe is exaggerated. He argues that it is part of a mindset that tends to overstate hostility towards Israel and Jews, or to assume that this hostility is antisemitic, or both. Often this goes along with a tendency to connect antisemitism, via anti-Zionism, with anti-Americanism. Klug believes that notion of a mindset, Klug turns to the question of definition, examining the view that antisemitism is indefinitely mutable. Invoking recent work on the subject, he suggests that at the core of antisemitism is the stock figure of the ‘Jew’. This gives us a criterion with which to judge whether or not a given text—including an attack on Israel or Zionism—is antisemitic. On the basis of the analysis so far, Klug critiques the view that hostility to Israel in general is a new twist on an old antisemitic theme. In this connection, he discussed a 2003 Eurobarometer opinion poll in which 59 per cent of respondents said that Israel is a ‘threat to peace in the world’. Some see this as proof that Europe is antisemitic; Klug rejects this interpretation and traces it back to the mindset he has describing. He argues that people in the grip of this mindset tend to take a one-sided view of the Israeli-Palestinian conflict. This can lead to ‘antisemitism in reverse’: projecting the figure of the antisemite on to someone who does not fit the bill. Klug concludes that the prospects for the European debate on antisemitism are poor unless it can be disentangled from partisan Middle East politics.