Search results

Your search found 23 items
Sort: Relevance | Topics | Title | Author | Publication Year
Home  / Search Results
Date: 2019
Abstract: In late 2017, JPR published a major study of attitudes towards Jews and Israel among the population of Great Britain, a project supported by the Community Security Trust and the Department for Communities and Local Government. We regard it as a groundbreaking piece of work - the first study conducted anywhere that empirically demonstrates a clear connection between extreme hostility towards Israel and more traditional forms of antipathy towards Jews.

This report explores this connection yet further, focusing specifically on two particularly prevalent ideas that are often experienced by Jews as antisemitic: the contention that Israel is 'an apartheid state' and that it should be subjected to a boycott.

In the first instance, the study finds that large proportions of people actually have no view at all on these ideas, either because they do not know anything about the issues, or because they are simply unsure of where they stand on them. This is particularly the case for young people and women - knowledge levels improve and opinions sharpen the older people are, and, as has been found in numerous other studies, women tend to be less opinionated than men on these types of political issues.

However, among those who do have a view, 21% agree with the contention that 'Israel is an apartheid state,' 5% strongly so, and 10% endorse the argument that 'people should boycott Israeli goods and products (3% strongly so). About the same proportion (18%) disagrees with the apartheid contention as agree with it, but a much higher proportion disagrees with the boycott one (47%) than agrees with it.

Disagreement with the boycott idea is higher in older age bands than in younger ones, increasingly so among those aged 40-plus, a phenomenon that is not found in relation to the apartheid contention. But the ideas are not particularly sensitive to educational level - both agreement and disagreement with both contentions increase the higher the educational qualification achieved.

However, clear distinctions can be found when looking at the data through the lens of religion, with Muslims much more likely than other groups to support both contentions.

The report goes on to explore the correlations between these views and more traditional anti-Jewish ones, and finds clear links between the two, although this is more the case with the boycott idea than the apartheid one. However, it also notes that the correlation is stronger with other anti-Israel beliefs, particularly those arguing that Israel exploits the Holocaust for its own purposes, and those claiming that Israel is excessively powerful or the primary cause of troubles in the Middle East.
Author(s): Staetsky, L. Daniel
Date: 2017
Abstract: This study takes an in-depth look at attitudes towards Jews and Israel among the population of Great Britain, both across society as a whole, and in key subgroups within the population, notably the far-left, the far-right, Christians and Muslims.

It introduces the concept of the ‘elastic view’ of antisemitism, arguing that as antisemitism is an attitude, it exists at different scales and levels of intensity. Thus no single figure can capture the level of antisemitism in society, and all figures need to be carefully explained and understood.

It finds that only a small proportion of British adults can be categorised as ‘hard-core’ antisemites – approximately 2% – yet antisemitic ideas can be found at varying degrees of intensity across 30% of British society. Whilst this categorically does not mean that 30% of the British population is antisemitic, it does demonstrate the outer boundary of the extent to which antisemitic ideas live and breathe in British society. As such, it goes some way towards explaining why British Jews appear to be so concerned about antisemitism, as the likelihood of them encountering an antisemitic idea is much higher than that suggested by simple measures of antisemitic individuals. In this way, the research draws an important distinction between ‘counting antisemites’ and ‘measuring antisemitism’ – the counts for each are very different from one another, and have important implications for how one tackles antisemitism going forward.

The research finds that levels of anti-Israelism are considerably higher than levels of anti-Jewish feeling, and that the two attitudes exist both independently of one another and separately. However, the research also demonstrates that the greater the intensity of anti-Israel attitude, the more likely it is to be accompanied by antisemitic attitudes as well.

Looking at subgroups within the population, the report finds that levels of antisemitism and anti-Israelism among Christians are no different from those found across society as a whole, but among Muslims they are considerably higher on both counts. On the political spectrum, levels of antisemitism are found to be highest among the far-right, and levels of anti-Israelism are heightened across all parts of the left-wing, but particularly on the far-left. In all cases, the higher the level of anti-Israelism, the more likely it is to be accompanied by antisemitism. Yet, importantly, most of the antisemitism found in British society exists outside of these three groups – the far-left, far-right and Muslims; even at its most heightened levels of intensity, only about 15% of it can be accounted for by them.
Author(s): Friedmann, Elise
Date: 2009
Abstract: Het jaar 2008 was relatief rustig met 108 incidenten, een zeer lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor. Het jaar was nog niet eens afgelopen toen de Israelische actie in Gaza begon: in minder dan één maand kwamen er 98 meldingen binnen, bijna evenveel als in heel 2008. CIDI rapporteerde deze periode apart en analyseerde de hatemails om te zien wat voor antisemitische ideeën achter de hategolf zaten.

Na een relatief rustig jaar 2008, met 108 antisemitische incidenten tegen 104 in het jaar daarvoor, telde CIDI tijdens de operatie Cast Lead (27 december 2008 tot 23 januari 2009) in minder dan één maand 98 antisemitische incidenten. Dat is bijna evenveel als in het hele jaar 2007 of 2008. Dit is een internationale beweging. Andere Europese landen registreerden ook een sterke stijging, terwijl de ontwikkeling van het aantal antisemitische incidenten in ‘rustige perioden’ per land heel verschillend kan zijn.

Tijdens de Gazaperiode was het aantal meldingen van ernstige incidenten – fysiek geweld en concrete bedreiging daarmee – hoger dan in elk van de twee jaren daarvoor (3 in 2007, 5 in 2008, 9 tijdens Gaza).

Antisemitische uitingen op internet zijn als vanouds niet door CIDI geteld. Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) meldde, evenals de politie, voor 2008 een vergelijkbare rust. Het aantal antisemitische incidenten dat politie en MDI registreerden in 2008 was echter hoog in verhouding tot andere discriminerende incidenten. Hoewel het geschatte aantal Joden in Nederland (40.000) veel lager is dan het aantal moslims (850.000 in 2007), registreerde de politie in 2008 141 incidenten wegens ‘Joods zijn (of er zo uitzien)’, tegen slechts 116 incidenten wegens ‘Moslim zijn (of er zo uitzien)’. En hoewel de meeste bij MDI gemelde uitingen in 2008 betrekking hadden op moslims (met een verschil van 1), zijn de meeste strafbaar geachte uitingen in 2008 (252) antisemitisch.

Als altijd bij dergelijke pieken viel tijdens de Gazaperiode de grote stijging van antisemitische e-mails op. Het eveneens hoge aantal meldingen van antsemitische uitingen op internet – vrijwel altijd lezersreacties op bona fide nieuwssites – is door CIDI als gewoonlijk niet geteld; de meeste zijn gemeld bij het MDI. Dat telde tijdens de Gazaperiode 78 antisemitische uitingen, “tweemaal zoveel als normaal”.

Voor zover een signalement bekend is, waren de daders van ‘real life’-incidenten vrijwel altijd Marokkaans of ‘er zo uitziend’. Er zijn daarentegen aanwijzingen dat onder de circa vijftig mensen die hun haat per email of schriftelijk uitstortten over Joodse en Israelische instellingen en personen, waarschijnlijk veel autochtonen waren. Daarbij werden weinig rechts-extremistische uitdrukkingen of beelden gebruikt.

In reacties op het gebeuren in Gaza uitten veel mensen niet alleen een politieke mening over de daden van de Israelische regering (hetgeen door CIDI niet als antisemitisch wordt geteld), maar spuiden zij klassieke antisemitische vooroordelen over ‘de’ Joden.
Daarbij werd opvallend vaak de Holocaust ontkend of gebagatelliseerd. In de gemelde e-mails in 2007 werd dit geen enkele maal gedaan, in 2008 zeven keer; tijdens de Gazaperiode 20 maal. Vergelijkingen tussen Israel/Joden/Israeli’s enz en nazi’s kwamen in 2007 tweemaal voor, in 2008 11 keer; tijdens de Gazaperiode 19 keer. Nog vaker werd gezegd dat de Holocaust ‘volkomen terecht’ was, ‘afgemaakt’ had moeten worden, of alsnog moet worden afgemaakt omdat ‘alle Joden dood moeten’. Dit was de meest voorkomende antisemitische uitspraak in de geanalyseerde e-mails: hij werd tweemaal gedaan in 2007, 15 keer in 2008 en 23 keer tijdens ‘Gaza’.

Het gelijkstellen van Israelische acties aan de Holocaust, of zelfs zeggen dat de Holocaust minder erg is dan Israelische acties, is nooit eerder zo massaal in Nederland gepropageerd als tijdens de Gazaperiode. Dit gebeurde door op grote schaal via internet en e-mail verspreide fotomontages, maar meer nog door specifiek op Nederland gerichte pamfletten die in enorme aantallen door het hele land huis aan huis zijn verspreid. Taalfouten in de tekst achterop het pamflet lijken te wijzen op niet-Nederlandse opstellers. Gezien de grote schaal van de verspreiding en de gemaakte kosten gaat het mogelijk om een organisatie.

In alle categorieen incidenten was vooral de grootschaligheid van de haat verontrustend. Honderden, met tv-kijkers meegeteld duizenden mensen die helemaal niets te maken hebben met het conflict, werden er ongevraagd mee geconfronteerd. Vooral de spreekkoren die tijdens demonstraties ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ en ‘ Hitler, Hitler, Hitler’ scandeerden, maakten een beangstigende indruk op grote aantallen ooggetuigen en tv-kijkers.

De heftige reactie op gebeurtenissen in het buitenland, alléén wanneer het om Israel gaat, blijft een zorgelijk fenomeen. Daarbij is het verontrustend dat ook mensen die zich niet antisemitisch uiten het vaak volkomen normaal lijken te vinden dat anti-Israelgevoelens leiden tot anti-Joodse gevoelens en daden. Zo lang deze foute grondhouding blijft bestaan, kan de Joodse gemeenschap in Nederland op elk willekeurig moment, steeds opnieuw, het slachtoffer worden van een nieuwe antisemitismegolf. Het is een waanidee dat op alle mogelijke manieren voortdurend moet worden bestreden.

Uit een analyse van onder meer de bij CIDI gemelde e-mails blijkt dat voor de verzenders de Holocaust niet langer geldt als universele waarschuwing tegen antisemitisme. Deze hatemailers schuiven integendeel Israel/Joden enz. ten onrechte vergelijkbare of ergere vergrijpen in de schoenen als rechtvaardiging voor antisemitisme en om het bestaansrecht te betwisten van niet alleen Israel, maar vaak het gehele Joodse volk waar ook ter wereld. Voorstellen zoals van de VVD, die maken dat het ontkennen van de Holocaust onder bijna alle omstandigheden niet langer strafbaar is, zijn juist in deze omstandigheden buitengewoon contraproductief.

Bovendien gaat van het feit dat Justitie antisemitisme uiterst traag en soms pas na veel aandringen en lijkt te vervolgen een verkeerde voorbeeldwerking uit. Direct benadeelden blijven zich onveilig voelen doordat Justitie hen meestal niet informeert als er wel actie wordt ondernomen.

CIDI merkt al jaren op dat de sfeer in Nederland, ook tijdens ‘piekjaren’, minder grimmig is dan in andere Europese landen. Daarvoor verdienen onder meer landelijke politici een compliment, althans degenen onder hen die niet ‘meehuilen met de wolven in het bos’. Hun grote inzet bij het bestrijden van racisme en van de verharding van het maatschappelijk discours mag niet onderschat worden. Het is te hopen dat dit zo blijft.
Author(s): Deprez, Karolien
Date: 2004
Abstract: Sinds het voorjaar van 2002 wordt Antwerpen beschouwd als een lokale conflicthaard voor een internationaal conflict. Naar aanleiding van een aantal gewelddadige confrontaties tussen ‘joden’ en ‘moslims’ werd erop gewezen dat het Israëlisch-Palestijns conflict ook in Antwerpen voet aan grond begon te krijgen. Het gevolg daarvan zou onder andere, een toenemend antisemitisme zijn vanwege ‘islamitische’ allochtonen. De verklaringen voor de spanningen tussen beide geloofsgemeenschappen moeten volgens zowel politiek als media worden gezocht in het Israëlisch-Palestijns conflict. Antwerpse ‘moslims’ zouden sympathiseren met hun Palestijnse ‘broeders’ en hun frustratie uitwerken op hun ‘joodse’ stadsgenoten. Het transfereren van een internationale naar een lokale Antwerpse context werd gemeenzaam ‘de import van het Israëlisch-Palestijns conflict’ genoemd.

In het kader van een licentiaatverhandeling werd deze vermoedelijke identificatie onder de loep genomen. De nadruk lag daarbij niet op het geweld of op de aanwezige ‘import’ maar op de ‘joodse’ en ‘islamitische’ gemeenschappen in Antwerpen. Dit onderzoek vertrekt van de autobiografie van Dyab Abou Jahjah, ‘Tussen twee werelden. Roots van een vrijheidsstrijd’. Tijdens een reeks groepsgesprekken met zowel leden van de Antwerpse ‘joodse’ als ‘islamitische’ gemeenschappen, trachtten we te achterhalen hoe de respondenten zichzelf omschreven, hoe ze de ‘andere’ (‘joden’ of ‘moslims’) definieerden en in welke mate het Israëlisch-Palestijns conflict daar een rol bij speelde. We focusten daarbij vooral op etnische, nationale en religieuze aspecten van hun identiteit. De respondenten werden geselecteerd op basis van hun lidmaatschap van politiek-ideologische, religieuze of jongeren- of vrouwenorganisaties, al bleek het een moeilijke opdracht om organisaties te vinden die bereid waren mee te werken en tegelijkertijd binnen dit profiel pasten. De deelnemende organisaties aan ‘joodse’ kant (B’Nai B’Rith, Unie der Joodse Jongeren van Antwerpen, Women’s International Zionist Organisation –WIZO- en WIZO Informatiegroep Midden-Oosten) waren allemaal zionistische organisaties en kunnen bijgevolg allemaal als politiek-ideologisch worden gelabeld, terwijl een religieuze organisatie ontbreekt. De ‘islamitische’ organisaties (Arabisch-Europese Liga, El Moustaqbal, Jongeren voor Islam en Student Focus) daarentegen vormen wel een correct staal.

De gesprekken maakten ons duidelijk dat identiteiten, zowel bij ‘joden’ als ‘moslims’, geplaatst moeten worden binnen de context. Los van de gegeven conflictsituatie lijkt identiteit een moeilijk te definiëren begrip te zijn. De respondenten wijzen zelf op verschillende deelidentiteiten, al blijkt meestal toch één subidentiteit te overheersen. De ‘joodse’ respondenten wezen zonder meer op een sterke band met het ‘thuisland’ Israël. De ‘islamitische’ respondenten legden de nadruk op hun religieuze overtuiging, al blijkt bij de Arabisch-Europese Liga de Arabische nationale identiteit te overheersen. In die zin vertonen de standpunten van de ‘joodse’ respondenten structurele gelijkenissen met deze van de AEL. Beide hechten vooral belang aan de natie(staat), respectievelijk Israël en de Arabische natie. Bij de overige ‘islamitische’ respondenten blijkt het niet zozeer hun identiteit te zijn die de identificatie bepaalt, maar eerder de aanwezigheid van onderdrukking (i.e. een conflictsituatie). Deze ‘moslims’ identificeren zich met de Palestijnen omdat er sprake is van onderdrukking. De identificatie wordt versterkt door de gemeenschappelijke Arabische etnische afkomst of religieuze overtuiging. Zonder deze conflictsituatie zou de band hoogstwaarschijnlijk minder sterk zijn.


Daarnaast blijkt dat de etnische en religieuze identiteiten van zowel ‘joden’ als ‘moslims’ niet voor iedereen dezelfde betekenis hebben. Terwijl voor de ene het ‘joods-zijn’ enkel en alleen een religieuze overtuiging is, verwijst de andere naar de ‘joden’ als “één religie, één nationaliteit, één volk” . Hetzelfde geldt voor de ‘islamitische’ respondenten. De islam lijkt voor een aantal respondenten hun Marokkaanse etniciteit te vervangen, terwijl anderen ook daar enkel en alleen het religieuze in zien. De Marokkaanse herkomst verdwijnt binnen deze context vaak naar de achtergrond.


Wanneer we beide partijen naar hun mening over elkaar peilden, leek die vooral te worden bepaald door stereotypen en vooroordelen. Oude stereotypen zoals de ‘jood’ als ‘rijke machtswellusteling’ bestaan nog steeds, maar ook ‘moslims’ worden al te vaak beschreven als ‘terroristen’. Uit de gesprekken blijkt dat het niet enkel het Israëlisch-Palestijns conflict is dat de standpunten van beide partijen bepaalt, maar dat die moeten gesitueerd worden binnen een breder perspectief. De polarisatie duidt eerder op een ruimere identificatie, namelijk het joods-christelijke Westen tegenover het Arabisch-islamitsche Oosten. Het gebruik van termen als ‘import’ of ‘verbinnenlandsing’ geeft volgens ons bijgevolg een vertekend beeld over deze identificatieprocessen. De respondenten van dit onderzoek zijn zélf het product van deze geglobaliseerde samenleving. Hun identiteiten worden dan ook gevormd door deze ‘postnationale samenleving’, waar conflicten in een ander werelddeel zelfs in Antwerpen voor beroering kunnen zorgen. Deze identificatie blijft bijgevolg niet enkel beperkt tot Antwerpse ‘moslims’, maar geldt evengoed voor de ‘joodse’ respondenten. Het verschil tussen de ‘joodse’ en de ‘islamitische’ respondenten ligt in de manier waarop ze daar elk mee omgaan. Terwijl de ‘joden’ zich engageren in Israël zélf, trachten de ‘moslims’ hun standpunten te verdedigen in Antwerpen. We prefereren bijgevolg het begrip ‘transnationale solidariteit’ in plaats van het ‘importeren’ van een conflict. Het ‘importeren’ legt ons inziens te veel de nadruk op de grenzen van de traditionele natiestaat, terwijl uit onze gesprekken blijkt dat deze meer en meer aan belang moet inboeten. We kunnen ons niet langer opsluiten in ons eigen dorp of onze eigen natiestaat, nu de wereld zélf een dorp geworden is…
Author(s): Sheldon, Ruth
Date: 2013
Abstract: This is an ethnographic study of student politics relating to Palestine-Israel within British universities. Palestine-Israel has been a focal issue within British campuses for over four decades, manifesting in intense, high profile conflicts, which have been subject to competing political and media framings. In this thesis, I identify this as a case of what Nancy Fraser (2008) describes as 'abnormal justice', a situation of incommensurable, spiralling conflicts over the 'what', 'how' and 'who' of political community. I show how students' engagement with Palestine-Israel raises spectres of entangled histories of the Holocaust and colonialism, and tensions over the national versus global boundaries of the polity. Moving beyond abstract portrayals of this as a conflict between discrete ethno-religious groups or autonomous moral actors, I attend to students' complex personal experiences of these political dynamics. My central argument is that PalestineIsrael exerts discomforting, at times irreconcilable, claims over participating students, arising out of violent histories, ongoing racisms, complex transnational attachments and " the rationalism of post-imperial British universities. I trace how unsettling ambiguities and a desire for moral coher.,e nce are enacted within this campus politics, analysing how institutional practices of containment and shaming lead to 'tragic' moments of passionate aggression, which then circulate in the media. Contributing to a cross-disciplinary turn towards affect, aesthetics and ethics in the study of public spheres, I stake a claim for responsive ethnography with ethical ambitions. I do so by drawing our attention beyond spectacular political conflicts, showing how students cultivate reflexive practices and express uncertainty, care and commitment within overlooked, 'ordinary' spaces of the campus. In these ways, I show how attending to intersubjective political experience provides vital insights into the motivations and desires at stake in justice conflicts, and operis up expansive possibilities for reflexivity and creativity within the public institutions of democratic societies
Date: 2010
Author(s): Klug, Brian
Date: 2005
Abstract: The recent discourse on ‘new antisemitism’ and the Israeli-Palestinian conflict sometime gives the impression that Europe is fundamentally and irredeemably antisemitic. Klug maintains that, while there is a persistent vein of antisemitism in the culture, and while there is evidence of an increase in anti-Jewish attacks since 2000, this perception of Europe is exaggerated. He argues that it is part of a mindset that tends to overstate hostility towards Israel and Jews, or to assume that this hostility is antisemitic, or both. Often this goes along with a tendency to connect antisemitism, via anti-Zionism, with anti-Americanism. Klug believes that notion of a mindset, Klug turns to the question of definition, examining the view that antisemitism is indefinitely mutable. Invoking recent work on the subject, he suggests that at the core of antisemitism is the stock figure of the ‘Jew’. This gives us a criterion with which to judge whether or not a given text—including an attack on Israel or Zionism—is antisemitic. On the basis of the analysis so far, Klug critiques the view that hostility to Israel in general is a new twist on an old antisemitic theme. In this connection, he discussed a 2003 Eurobarometer opinion poll in which 59 per cent of respondents said that Israel is a ‘threat to peace in the world’. Some see this as proof that Europe is antisemitic; Klug rejects this interpretation and traces it back to the mindset he has describing. He argues that people in the grip of this mindset tend to take a one-sided view of the Israeli-Palestinian conflict. This can lead to ‘antisemitism in reverse’: projecting the figure of the antisemite on to someone who does not fit the bill. Klug concludes that the prospects for the European debate on antisemitism are poor unless it can be disentangled from partisan Middle East politics.