Search results

Your search found 60 items
copy result link
You ran an advanced options search Previous | Next
Sort: Relevance | Topics | Title | Author | Publication Year View all 1 2
Home  /  Search Results
Date: 2001
Author(s): Feldman, David
Date: 2018
Date: 2018
Abstract: Het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) maakt zich zorgen over het toenemende antisemitisme op internet en in de landelijke en lokale politiek. Op internet en via sociale media worden holocaustontkenning en complottheorieën over internationale Joodse samenzweringen breed verspreid. Dit soort beelden kunnen zich omzetten in haat en daadwerkelijke verbale of fysieke agressie tegen Joden.

Zorgwekkend zijn ook politieke uitingen met een antisemitische lading. CIDI-directeur Hanna Luden: ‘De grenzen van waar legitieme kritiek op Israel overgaat in antisemitisme worden opgezocht en steeds vaker overschreden’. Dieptepunt is een afbeelding op Facebook van de politieke partij DENK waarin de machtige Joodse lobby in het schaduwduister opereert; dit in verwijzing naar de beruchte antisemitische Protocollen van de Wijzen van Sion. Uitspraken over de ‘lange arm van Israël en de Joden’ en een WhatsAppgroep waar ‘Marokkaanse joden’ van de PvdA uitgemaakt zijn voor ‘verraders van onze gemeenschap’ zijn onaanvaardbaar, aldus Hanna Luden.

CIDI heeft in 2017 voor het eerst antisemitische uitingen op internet en in het politieke domein apart geregistreerd. Het gaat om 7 incidenten in het politieke domein en 24 op internet die bij CIDI zijn gemeld en die vervolgens zijn onderzocht en getoetst aan de definitie van antisemitisme die CIDI hanteert (zie de monitor). De werkelijke omvang van het aantal antisemitische uitingen via internet en sociale media is veel groter. Het door de overheid ingestelde Meldpunt Internet Discriminatie (MiND) registreerde in 2017 236 meldingen van antisemitisme. Dit is 17% van het totaal aantal meldingen over discriminatie. Dat is een hoog percentage, gegeven dat de Joodse minderheid slechts 0,3% van de Nederlandse samenleving uitmaakt.

Uit de vandaag gepubliceerde ‘Monitor antisemitische incidenten in Nederland 2017’ van het CIDI blijkt verder dat het aantal antisemitische incidenten (internet niet meegerekend) vorig jaar uitkwam op 113, een lichte stijging ten opzichte van 2016. Onder dat aantal vielen 28 bekladdingen en vernielingen, waaronder het ingooien van ruiten van het Joodse restaurant HaCarmel en van de Joodse instelling Chabad Central te Amsterdam. Er werden vier geweldsincidenten geregistreerd, waaronder ernstige mishandelingen van een Joods Syrische vluchteling en twee Joodse toeristen uit Israel.

Het CIDI vindt dat geweldsmisdrijven vanuit antisemitische of anderszins discriminerende motieven zwaarder moeten worden bestraft. Wanneer iemand wordt aangevallen vanwege zijn of haar afkomst of geloof raakt dat namelijk niet alleen het individu maar de groep als geheel. Antisemitisch geweld heeft grote impact op het gevoel van onveiligheid in de gehele Joodse gemeenschap.

Een andere belangrijke aanbeveling is dat de Werkdefinitie Antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance door relevante organisaties en overheden wordt overgenomen en juridisch bindend verklaard. Momenteel wordt antisemitisme in de Nederlandse wet niet omschreven, waardoor het lastig te bestrijden is, zeker wanneer oude antisemitische vooroordelen en complottheorieën worden gerecycled door het woord ‘joden’ te vervangen door ‘zionisten’. Een heldere definitie helpt relevante actoren (politie, OM, onderwijs) antisemitisme te herkennen en te bestrijden. Een algemeen aanvaarde definitie van antisemitisme kan ook gebruikt worden op scholen en bijvoorbeeld bij de toetsing van subsidieaanvragen van maatschappelijke en religieuze instellingen.
Date: 2017
Abstract: CIDI registreerde in 2016 109 antisemitische incidenten in Nederland, tegenover 126 in 2015. In meer Europese landen, bijvoorbeeld in Frankrijk, is een daling geconstateerd. Deze cijfers zijn echter hoger dan vóór 2014, met 171 incidenten een piekjaar in verband met de oorlog in Gaza.

CIDI is verheugd over de daling, maar wijst tegelijk op de volgende twee punten: Na twee jaar is het aantal meldingen nog hoger dan in het ‘normale jaar’ 2013, toen heeft CIDI 100 incidenten geteld. Bovendien is de daling voor een groot deel toe te schrijven aan het dalen van het aantal scheld-email-berichten (van 12 in 2015 naar 7 in 2016); dit medium lijkt vervangen te worden door sociale media, waarover CIDI steeds meer meldingen ontvangt.

Sociale media hebben steeds meer invloed op de publieke opinie en het maatschappelijk veld. Daarom heeft CIDI besloten met ingang van 2017 incidenten op internet die op personen gericht zijn ook mee te nemen in de Monitor Antisemitische Incidenten.

Vooral het dalen van het aantal incidenten op scholen stemt positief. Helaas is het aantal incidenten rondom voetbal nog steeds hoog. (9 in 2016, 10 in 2015) en is het aantal scheldpartijen gestegen. In de categorie scheldpartijen en lastigvallen op straat heeft CIDI in 2015 24 incidenten geregistreerd, in 2016 waren het 25 incidenten.

Vandalisme (21 incidenten) en fysiek geweld (3 incidenten) vormen nog steeds een probleem. Ter vergelijking: in 2015 telden we 20 vandalisme- en 5 fysiek geweld incidenten. In 2016 telde CIDI 2016 3 meldingen in de ‘traditionele’ media. In 2015 telden we geen melding in deze categorie.

Het woord “Jood” wordt helaas steeds vaker als scheldwoord gebruikt. Steeds meer constateren we het gebruik hiervan bij (algemene, niet eens op Joden gerichte) scheldpartijen. CIDI vindt dit zeer verontrustend.

De Joodse gemeenschap wordt nog altijd bedreigd. Inlichtingen van antiterreurorganisaties in binnen- en buitenland geven aan dat joden bovenaan de “hitlijst” staan van terroristen. Daarom verdient de beveiliging van Joodse instellingen de hoogste prioriteit.

CIDI blijft wijzen op het belang van educatie vanaf jonge leeftijd, op scholen en op informele clubs zoals sportverenigingen.
Author(s): Longman, Chia
Date: 2010
Abstract: In deze bijdrage wordt een synthese gebracht van de resultaten van twee socioculturele
antropologische onderzoeksprojecten in de Antwerpse joodsorthodoxe
gemeenschap die betrekking hebben op de ‘eigenheid’, ‘emancipatie’ en ‘integratie’
van vrouwen. Eerst wordt de betekenis van vrouwelijke religiositeit vanuit het
standpunt van strikt Orthodoxe, waaronder chassidische, vrouwen belicht. Terwijl in
het publieke en institutionele religieus domein mannen de paradigmatische ‘orthodoxe
jood’ zijn, is door de sacralisatie van het dagelijkse leven, de religieuze rol voor
vrouwen niet minder omvattend of belangrijk, maar vooral gesitueerd in de private en
huiselijke sfeer. Ik beargumenteer dat deze vorm van religieuze en gegenderde
eigenheid vanuit een antropologisch en gender-kritisch perspectief niet eenduidig
geïnterpreteerd kan worden in termen van ‘onderdrukking’ dan wel ‘emancipatie’. Het
tweede onderzoeksproject behandelt de problematiek van joodsorthodoxe vrouwen
(gaande van strikt tot modern orthodox) in Antwerpen die religieuze gendernormen
overschrijden door te studeren of werken in de omliggende seculiere maatschappij. De
levensverhalen onthullen zeer verschillende trajecten van vrouwen die de ontmoeting
met de ‘buitenwereld’ dikwijls verrijkend vonden maar ook wel interculturele
conflicten ervoeren. Er wordt besloten dat behoud van culturele eigenheid, naast
emancipatie en integratie van binnen uit de joodsorthodoxe gemeenschap niet
onmogelijk is, maar dat dit minimaal wederzijds dialoog en begrip vereist.

Date: 1998
Date: 2001
Abstract: Op grond van het overzicht 2000 ten opzichte van 1999 kan echter worden geconstateerd dat niet alleen het aantal antisemitische incidenten is toegenomen, maar ook de aard ervan ernstiger is. In 2000 vonden er 32 scheldpartijen plaats, werden 6 synagogen beklad of waren een doelwit, werden er twee begraafplaatsen beklad en waren er 6 incidenten met fysiek geweld of dreiging met geweld.

In 1999 was dat resp. 17, 0, 1, 1. Het aantal antisemitische brieven en de bekladdingen namen toe. Van de 550 meldingen die het Meldpunt Discriminatie Internet ontving werd bijna de helft (203) als antisemitisch beoordeeld.

Veel uitingen zijn direct op Joodse doelen gericht, zoals de bekladding van synagogen, het zenden van brieven en faxen naar Joodse instellingen, het besmeuren van ramen met eieren van een Joodse familie en een gezin met een Hebreeuwse tekst op de voordeur en het zenden van een antisemitische fax naar een Joodse firma.

Dit in tegenstelling tot antisemitische spreekkoren bij voetbalwedstrijden, het roepen van leuzen op willekeurige plaatsen, het roepen van “vuile Jood” naar een willekeurig persoon en het brengen van de Hitlergroet.

Verband uitingen en actualiteiten
Er bestaat klaarblijkelijk een duidelijk verband tussen antisemitische uitingen en actuele gebeurtenissen, zoals de restitutie van Joodse tegoeden en het geweld tussen Israel en de Palestijnen. Voorbeeld daarvan is de brief aan CIDI met de woorden “…Het is graaien, graaien, graaien… De Joden maken het er zo zelf naar, dat mensen antisemitische gevoelens gaan krijgen.” Het aantal antisemitische uitingen bij synagogen in het begin van de tweede intifada (eind september) en de brieven waarin aan het Israelische optreden worden gerefereerd, zoals de e-mail aan het Centraal Joods Overleg: “Het is toch eigenaardig om te zien hoe sommige groepen erin slagen zogenaamde vooroordelen te bevestigen… Gezien het gedrag van de kolonist in Israel is er blijkbaar ook wat geleerd in de oorlog van de Duitser.”

Marokkaanse gemeenschap in Nederland
Opmerkelijk is het aantal antisemitische uitingen, waarbij vooral leden van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland betrokken zijn. In dit kader werden 13 incidenten gemeld en er vonden mede vanuit deze gemeenschap drie demonstraties plaats, waarbij antisemitische leuzen werden geroepen of antisemitische symbolen werden meegevoerd. Oorzaak van dit fenomeen lijkt op de eerste plaats het uitbreken van de intifada te zijn, die vanzelfsprekend in deze gemeenschap solidariteitsgevoelens met de Palestijnen oproept. De meeste incidenten vinden inderdaad na die datum plaats. Niettemin is het opmerkelijk dat in deze mate Joden het doelwit vormen. Vermoedelijk is er meer aan de hand. In interviews in Vrij Nederland (24 maart 2001) wordt gewezen op de invloed van ophitsende Arabische zenders, het feit dat het mogelijkerwijs veelal om probleemjongeren gaat die provoceren en de invloed van het religieus-antisemitisme in Marokko. Soms hanteren Marokkanen bij hun antisemitische uitingen methoden, die zijn afgekeken van extreem-rechts. Het is duidelijk dat extreem rechts vaak even weinig van allochtonen als van Joden moet hebben. Het gedogen in stadions van de leus ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ heeft uiteindelijk ook op Marokkaanse jongeren zijn invloed gehad. Hoe het ook zij, het stemt treurig dat antisemitisme wordt aangetroffen bij mensen die zelf het mikpunt van xenofoob gedrag zijn.

Gewenningsproces
Er lijkt sprake te zijn van een gewenningsproces, dat verband zou kunnen houden met de mate waarin de politie optreedt en grenzen legt van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar wordt gevonden. Uitgezonderd het opmaken van proces-verbaal bij het brengen van de Hitlergroet is de politie soms niet genegen om aangifte op te nemen. Dat kan zelfs zo ver gaan, dat een politiebeambte een slachtoffer van een antisemitische scheldpartij meedeelt, dat pas aangifte gedaan kan worden indien de dader bekend is. Een gebrek aan informatie over de historische achtergronden van antisemitisme lijkt een mogelijke oorzaak van deze houding te zijn. Een aanwijzing hiervoor is de stelligheid, waarmee de politie een rechtszaak startte tegen de persoon die een agent voor ‘Jood’ had uitgescholden.
Date: 2002
Abstract: Uit de geringe maatschappelijke reactie op de uitingen van antisemitisme moet geconcludeerd worden, dat er binnen de samenleving een gewenningsproces is opgetreden. Een parallel dringt zich op met andere vormen van criminaliteit, die wel in toenemende mate geregistreerd worden, maar minder dan ooit voor de rechter komen. Dreigementen met geweld en fysieke geweldplegingen worden, ook als het niet om antisemitisme gaat, onvoldoende vervolgd. Voor Joden met hun beladen verleden roepen deze verschijnselen gevoelens van onveiligheid en soms angst op.

Enkele jaren geleden zou het ondenkbaar zijn geweest, dat honderden demonstranten in Amsterdam ‘dood aan de Joden’ en ‘Sieg Heil’ zouden roepen, zonder ingrijpen van de politie. Het voortdurend tijdens voetbalwedstrijden kunnen roepen ‘Hamas, hamas Joden aan het gas’ werkt grensverlagend. De term is nu ook buiten de sfeer van het voetbalveld in zwang.

Het gemak waarmee antisemitisme geuit wordt, de bedreigingen tegen Joden en de onvoldoende reactie van regering, justitie en politie hebben wellicht ook te maken met het groter worden van de afstand tot de Tweede Wereldoorlog. Het afschrikkend effect ervan ebt weg. Het hakenkruis wordt door sommigen niet meer gezien als symbool van de vernietiging van 6 miljoen Joden door de Nazi’s, maar als het symbool van het ultieme kwaad. De geringe kennis over de Tweede Wereldoorlog leidt ertoe dat sommigen kennelijk niet meer in staat zijn om verschil te maken tussen het ene en het andere kwaad. Zo valt Israels optreden in de Westoever – hoe men daarover ook moge denken – niet op één lijn te stellen met de systematische uitroeiing van een volk. De gewenning lijkt overigens ook aan de kant van de slachtoffers plaats te vinden. Scheld-incidenten worden nauwelijks bij de politie of justitie gemeld, sterker ze worden vaak door het slachtoffer verdrongen. Dat gebeurt zowel op privé- als op instellingsniveau. Joodse instellingen houden antisemitische telefoontjes lang niet altijd bij, evenmin als e-mails of brieven. Individuele scheldincidenten worden afgedaan met de opmerking: “Ach, het is niet zo erg”. De berusting lijkt in belangrijke mate veroorzaakt te worden door de ervaring van de slachtoffers, dat het doen van aangiften, als ze al serieus worden genomen door de politie, zeer tijdrovend is, terwijl er vrijwel nooit vervolging wordt ingesteld.

Een aantal aangiften die CIDI de afgelopen jaren bij Offficieren van Justitie heeft gedaan is zonder opgaaf van redenen geseponeerd. Op andere kwam geen enkele reactie terug. In dit klimaat van berusting en te grote tolerantie worden we thans geconfronteerd met een serieus te nemen ontwikkeling, waarbij meer individuele Joden het slachtoffer worden van scheldpartijen en geweld, zoals het Joodse jongetje dat door een buschauffeur wordt uitgescholden en de bedreiging van
een Joodse marktkoopman met een pistool.

In de meeste CIDI-rapportages over antisemitisme hebben wij aanbevelingen gedaan dat politie en justitie strenger dienen op te treden tegen antisemitisme. Deze zijn vrijwel nooit op een consistente wijze opgevolgd. Het is nu hoog tijd, dat de politiek zich intensiever met dit verschijnsel gaat bezighouden. In het buitenland hebben zich tal van zware incidenten tegen Joodse voormannen, gebouwen en instellingen voorgedaan en in eigen land heeft ook op ander vlak verruwing van de samenleving plaats. Daarom is het hoog tijd dat politie en justitie, aangezet door de overheid, een actiever beleid gaan volgen. Ook directies van scholen dienen elk incident serieus te nemen en maatregelen tegen de daders te nemen, trainers van voetbalclubs dienen hun leden duidelijk te maken dat leuzen als ‘Hamas, hamas, Joden aan het gas’ niet kunnen, evenmin als het brengen van de Hitlergroet.

Het antisemitisme onder Marokkaanse jongeren verdient daarbij extra aandacht. In het rapport wordt er het één en ander gezegd over de achtergronden ervan. Het is zeer noodzakelijk hun integratie te bevorderen. Hun kennis van het Nederlands en de Nederlandse cultuur en democratische waarden dient te worden verbeterd en tot slot dient ook aan hen duidelijk te worden gemaakt waar onze tolerantiegrenzen liggen.
Date: 2003
Abstract: Vorig jaar signaleerde CIDI een steeds antisemitischer klimaat, met name omdat uitingen in elke sector van de samenleving zichtbaar werden: werksfeer, onderwijs, sport, internet, emails. Over het gehele jaar 2002 is daarin weinig verandering gekomen.

Opvallend in de cijfers over deze verslagperiode is de behoorlijke toename in 2002 van het aantal incidenten met geweld en dreiging met geweld alsmede het aantal scheldpartijen ten opzichte van 2001: respectievelijk van 62 naar 99; in totaal een toename van 60%. Voor diegenen die als Jood herkenbaar zijn, zijn deze gegevens extra bedreigend, want ze blijken in toenemende mate het slachtoffer van deze bejegeningen te worden. Veelal zijn Noord-Afrikaanse jongeren de daders.

Verontrustend is ook de toename van het aantal incidenten uit het onderwijs: In 2001 zijn dat er vier, in 2002 zijn dat er 6 en in de eerste maanden in 2003 zijn 7 meldingen ontvangen. Het onderwijs zou juist een plaats moeten zijn waar tegen antisemitisme en andere vormen van racisme hard stelling wordt genomen.

De stijging in 2002, schreef CIDI in mei vorig jaar, had te maken met de toegenomen verruwing van de samenleving (ook het aantal incidenten tegen moslims is de afgelopen jaren toegenomen), en vooral met het opgelaaide geweld tussen Israel en de Palestijnen in maart/april 2002. Dat toename van de anti-Joodse uitingen hier een duidelijke samenhang vertoont met het geweld in het Midden Oosten, moge blijken uit het feit dat in maart/april/mei 2002 een exceptioneel grote toename te bespeuren viel. Toen vond de operatie ‘Defensive Shield’ plaats en schetsten Palestijnen en media regelmatig het beeld dat de strijd in het Palestijnse vluchtelingenkamp in Jenin een soort opstand van het getto van Warschau was. In werkelijkheid vielen er onder de Palestijnen 55 doden en aan Israelische kant 22 doden.

De strijd tussen Israel en de Palestijnen ging in de periode januari-begin mei 2003 ‘gewoon door’. Toch kreeg het geweld veel minder aandacht door de oorlog tegen Irak, hetgeen zich weerspiegelde in Nederland door een cijfermatige teruggang van antisemitische incidenten in vergelijking met dezelfde periode van het vorige jaar. Het oude stijgende niveau keerde terug. In hoeverre deze trend zich doorzet valt nu nog niet te zeggen. Vermoedelijk is deze verminderde aandacht voor Israel in de afgelopen maanden niet de enige oorzaak dat antisemitische uitingen in januari-mei 2003 in real life zijn afgenomen. Er is zich nog een ander fenomeen aan het ontwikkelen.

Antizionisme, antisemitisme
De meeste scheldincidenten – doch zeker niet alle – worden gepleegd door jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst. Al vanaf 2000 wijst CIDI hierop. Deze jongeren tonen over het algemeen sterke solidariteitsgevoelens met de Palestijnen, en worden beïnvloed door Arabische Tv-zenders die de religieus-antisemitische vooroordelen die in de Arabische wereld leven, naar Europa exporteren via de schotelantenne. Sommige Arabische jongeren van de tweede en derde generatie zijn slecht in de Nederlandse samenleving geïntegreerd. Ze kennen geen onderscheid tussen Joden en Israel. De weerzin tegen de Israelische politiek wordt rechtstreeks vertaald in antisemitische uitingen jegens Joden. De Tweede Wereldoorlog is voor hen een oorlog uit een ver verleden, waarmee zij op geen enkele wijze verwantschap hebben.De verstoringen van de dodenherdenking in 2003 laten dat zeer scherp zien. Sommigen misbruiken de Tweede Wereldoorlog zelfs om bewust te provoceren. Maar het gaat niet alleen om een relatief kleine groep Arabische jongeren.

De samenleving lijkt steeds minder in staat een discussie over Israel zonder vooroordelen over Joden te voeren. Gretta Duisenberg vergelijkt de Israelische politiek met Nazi-praktijken. Wel voegt zij er nog ‘genuanceerd’ aan toe “uitgezonderd de Holocaust”. Juridisch is dat wellicht niet puur antisemitisch, maar deze uitingen kwetsen Joden wel. Evenals haar opmerking over de macht van de Joodse lobby waaraan het politieke succes van Israel te danken zou zijn en haar opmerking 6 miljoen handtekeningen te willen ophalen. Getuige de uitspraak van het Openbaar Ministerie van 23 december 2002 heeft zij met haar laatstgenoemde uitspraak bijgedragen aan het ‘het vergiftigen van de atmosfeer waarin in Nederland het politieke debat moet plaatsvinden’. Zij balanceert regelmatig op de scheidslijn tussen antizionisme en antisemitisme. Zij bedient zich daarbij van anti-Joodse uitlatingen uit frustratie over de situatie van de Palestijnen. Dat is een oud fenomeen, immers al vanaf de Middeleeuwen krijgen Joden de schuld van allerlei misstanden. Kennelijk is ook zij, en zij is bepaald niet de enige, niet in staat onderscheid te maken tussen Joden en de Israelische politiek.

De scheidslijn tussen antisemitisme en kritiek op Israel is inderdaad dun. Laten we het nogmaals stellen: kritiek op Israel als staat, zijn beleid of op de mensenrechtensituatie is geen antisemitisme, hoogstens een politiek verschil van mening. Maar er zijn legio situaties waarin die kritiek gepaard gaat met oneigenlijke beschuldigingen die met de situatie ter plaatse niets van doen hebben. Die beschuldigingen hebben bijna altijd te maken met een negatieve interpretatie van de geschiedenis en de godsdienst van het Joodse volk. Oud-hoogleraar politicologie en moderne geschiedenis Peter Pulzer (Oxford University) heeft in een recent artikel ‘The new antisemitism, or when is a taboo not a taboo?’ een toets ontwikkeld die helpt met het onderscheiden van antisemitisme van anti-Israel kritiek. We geven die toets hier enigszins aangepast weer:

Heeft de betrokken persoon die de uitlating deed:

niet alleen specifieke individuen of organisaties in Israel bekritiseerd, maar ook anonieme collectieven, zoals de Joodse lobby, de Joodse gemeenschap of de Joodse stem?
de economische positie van Joden, betrokkenheid van Joden bij media of één van de andere zogenaamde Joodse eigenschappen benadrukt of overdreven?
geklaagd dat elke kritiek op Israel automatisch als antisemitisme wordt betiteld?
de Israelische regering vergeleken met nazisme en het optreden van het Israelische leger met de SS, Holocaust of genocide?
om boycots en sancties gevraagd die alleen tegen Israel gericht zijn, terwijl hij dat nog nooit heeft gedaan bij andere ernstige zaken in deze wereld?
Als het om beeldmateriaal gaat, dan luidt de aanvullende vraag:

Heeft de kunstenaar/tv-maker:

de davidster gebruikt om Israel´s militaire apparaat te identificeren?
met een keppeltje Israelische politici aangeduid?
Swastika´s gebruikt om de Israeli’s of zionisten te identificeren?
Israeli´s of zionisten geportretteerd op een voor Joden karikaturale wijze?
Als één of meerdere van bovenstaande vragen met ja beantwoord worden, dan komt de persoon die de uitlating heeft gedaan in de gevarenzone en wordt de scheidslijn tussen anti-Israel gedrag en antisemitisme al snel overschreden. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de anti-Israel demonstratie in Amsterdam op 13 april 2002. Daar werd Sharon vergeleken met Hitler en werden davidsterren gelijkgesteld aan swastika’s. Dit soort uitingen hebben niets meer met het gewone protest tegen Israel te maken. Daarom neemt CIDI ze op in zijn rapport. In geval van vagere scheidslijnen, kiest CIDI voor een voorzichtiger koers en wordt de melding niet opgenomen.

Dit is wellicht ook één van de oorzaken waarom het aantal antisemitische incidenten in ons rapport over de eerste vijf maanden van 2003 getalsmatig is teruggelopen. Verder mag niet vergeten worden dat sinds de vorige rapportage zowel aan Islamitische als aan Joodse kant initiatieven ontplooid zijn om beter met elkaar in gesprek te komen. Ook dit heeft wellicht tot een afname van de incidenten vergeleken met dezelfde periode in 2002 geleid. Dat zou een positieve ontwikkeling zijn.

Joods wereldcomplot
Op het internet wemelt het van personen die menen dat er een wereldsamenzwering van de Joden is om andere mensen te overheersen. In de Arabische staten is die beschuldiging al langer ingeburgerd en zijn de ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’ populair als tv-serie. Dit schotschrift uit de tijd van de Tsaren gaat uit van een Joods wereldcomplot. Het heeft in het begin van de twintigste eeuw tot bloedige pogroms in de Oekraine en Rusland geleid. Hoe sterk die gedachte thans in de Arabische media leeft, bleek ook uit de reacties op de oorlog in Irak. Daar kon je alom de beschuldiging horen dat het Amerikaanse optreden tegen Saddam Hussein was bekokstoofd door de Joodse lobby. Dit soort onderbuikgevoelens komt nu bijna achteloos ook in het Nederlandse politieke discours terecht. Voorbeelden zijn de eerder genoemde uitglijers van Gretta Duisenberg, maar ook het artikel over Paul Verhoeven in Veronica Magazine, de (herroepen) uitlating van Adam Curry in ‘Met het oog op morgen’ en niet te vergeten het boek van Peter Edel met het voorwoord van Karel Glastra van Loon. Het zijn juist die terloopse opmerkingen in het openbaar over de Joodse wereldmacht in fatsoenlijke bladen of radioprogramma’s of het zonder meer plaatsen van een antisemitische column in een veel gelezen krant die zorgen baren. Nederland is daarin overigens geen uitzondering.

Europa
Juliane Wetzel, werkzaam bij het Centrum voor Antisemitisme Onderzoek in Berlijn zegt dat de meest voorkomende vorm van hedendaags antisemitisme in Europa de Joodse complottheorie is, zowel binnen rechts als links. Antiglobalisten droegen onlangs in een demonstratie in Duitsland een bord mee, waarop Uncle Sam was afgebeeld met een Joodse haakneus. Aan zijn vinger hangt aan een zijden draadje de globe: Joden bepalen de wereld, ook die van de Amerikanen….

Een onderzoek van het Forum for Countering Antisemitism bevestigt dit beeld. Dit instituut constateert dat zich in vele landen een sfeer van haat aan het ontwikkelen is tegen zowel Israel als Joden, waarin beiden verantwoordelijk worden gehouden voor al het kwaad in de wereld. Het Forum volgt deze ontwikkeling en constateert dat Islamitische organisaties, extreemrechts en extreemlinks elkaar hebben gevonden daar waar het gaat om de Joden als schuldigen aan te wijzen voor alles wat zij mis vinden in onze samenleving. In Nederland is de neonazistische Weerwolf groepering van Eite Homan hiervan een voorbeeld. Deze verspreidt via een Amerikaanse website extreemrechtse Jodenhaat en roept tegelijkertijd op tot de Palestijnse strijd tegen Israel.

Het Steven Roth Instituut van de Universiteit van Tel Aviv, dat onderzoek doet naar antisemitisme wereldwijd en waaraan ook CIDI zijn medewerking verleent, stelt over 2002 een dramatische toename van het aantal incidenten vast. Vooral het feit dat antisemitische activiteiten verschuiven van totalitaire staten naar westerse democratieën noemen de onderzoekers ‘alarmerend’. Wereldwijd vonden in 2002 en begin dit jaar 311 zeer ernstige agressieve incidenten tegen Joden buiten Israel plaats, waarbij in 56 gevallen wapens werden gebruikt. De agressie is vooral toegenomen in Frankrijk, België en Engeland. Maar ook in Noord-Amerika en Rusland is het aantal incidenten gestegen. In Oost-Europa en Zuid-Amerikaanse landen heeft het dezelfde omvang als het voorgaande jaar. In België en Frankrijk werden synagogen in brand gestoken en Joden neergestoken. Tegen deze achtergrond valt hetgeen zich in Nederland tot nu toe heeft voorgedaan mee.
Date: 2004
Abstract: Het jaaroverzicht over 2003 laat een wat positiever beeld zien dan over 2002, toen het aantal incidenten een scherpe stijging van 140% vertoonde. Vanaf 2000 nam het aantal antisemitische voorvallen toe en werd ook de aard ernstiger, concludeerde CIDI in het vorige rapport. Die trend lijkt dit jaar te zijn doorbroken.

Niet alleen nam het aantal anti-Joodse incidenten af met 7,5%, maar was ook het aantal ernstige incidenten (fysiek geweld, bedreiging met geweld en schending van monumenten/synagogen) en de aard ervan aanzienlijk geringer. De voorlopige cijfers over de eerste vier maanden van 2004 bevestigen dit beeld. In het totaal registreerde CIDI 334 antisemitische voorvallen in 2003. Het jaar daarvoor waren dit er 359. Dit is een met de categorie ‘overige bekladdingen’ gecorrigeerd cijfer. Het aantal ernstige antisemitische voorvallen daalde met 40%. Tot die ernstige voorvallen behoort bijvoorbeeld het op 17 juni met stenen bekogelen en uitschelden van een als Jood herkenbare man in de buurt van de synagoge in Amsterdam West. Hoewel dit soort aanvallen volstrekt onacceptabel zijn, verbleken ze tegenover de situatie waarin de Joodse gemeenschappen in Frankrijk, Engeland en België verkeren. Met name in Antwerpen en Parijs doen zich al langere tijd levensbedreigende incidenten voor. De angst van vooral orthodoxe Joden is in die landen zeer toegenomen.

Bij bovenstaande gegevens over antisemitische uitingen en gedragingen in ons land moet worden aangetekend, dat regelmatige scheldpartijen jegens één persoon of instantie door één dader als één incident worden geteld. Dit geldt eveneens voor meerdere telefoontjes naar één en dezelfde persoon of instantie. Jodenhaat op het internet hebben we niet meegeteld, omdat sinds jaar en dag het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) dit op een betrouwbare wijze in kaart brengt. Het Meldpunt bespeurt in zijn jaarverslag over 2003 eveneens een geringe afname van antisemitische uitlatingen. De organisatie registreerde in 2003 514 gevallen van antisemitisme op internetsites en chatboxen. In 2002 waren dat er nog 584. CIDI vermeldt overigens wel de aan Joodse adressen verstuurde e-mails met een anti-Joods karakter.

Vorig jaar vroegen we aandacht voor een trendmatige verandering in de anti-Joodse gedragingen en uitingen. We constateerden dat veel antisemitische incidenten plaatsvinden als gevolg van berichten over het geweld in het Midden-Oosten. Het optreden van Israel tegen de Palestijnen wordt daarbij in woord en geschrift als argument gebruikt om alle Joden in van de ergste misdrijven te beschuldigen. (“Jullie zijn erger dan Nazi’s,” “Jullie zouden beter moeten weten” en “de regering Bush is in de macht van de Joodse lobby”). Deze lijn zet zich ook in 2003 en 2004 door. Deze uitingen sluiten aan bij oude van oorsprong Europese theorieën over een wereldsamenzwering die de Joden zouden smeden en zijn lastig voor buitenstaanders te herkennen. Arabische satellietzenders, die ook in Europa te ontvangen zijn en internetsites zijn de belangrijkste verspreiders van deze complottheorieën. Ze worden gemakkelijk door Arabisch sprekende tv-kijkers en computergebruikers opgepikt.

Zorgwekkend zijn ook drie andere trends, waarvan we in vorige rapporten al de contouren zagen:

Het aantal scheldpartijen tegen Joden is ook dit jaar toegenomen. Vooral als Jood herkenbare personen worden het slachtoffer van scheldpartijen en bedreigingen met geweld.
Een aanzienlijk deel van de daders is van Noord-Afrikaanse afkomst. Bij de incidenten in 2003, waarin het slachtoffer meende de dader(s) te herkennen, werd in 43,5% van de gevallen gezegd, dat de daders van oorsprong Noord-Afrikanen zijn. Daarbij moet worden aangetekend, dat de door CIDI ontvangen meldingen vaak de herkomst van de daders achterwege laten. Vorig jaar bedroeg het percentage genoemde Noord-Afrikanen 41%.
Er is een voortdurende stijging van anti-Joodse incidenten op scholen. Dit houdt wellicht ook verband met de negatieve beïnvloeding van de tweede en derde generatie Noord-Afrikanen over de Midden-Oosten kwestie en hun grotere participatie in het onderwijs, met name in de grote steden.
Opmerkelijk is dat er tevens een toename van antisemitische incidenten te bespeuren valt in de buurt van ROC scholen. De discussie die vorig jaar ontstond over de problemen die docenten ondervinden bij het lesgeven over de Holocaust op ‘zwarte scholen’ houdt direct verband met het bovenstaande. Het VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali kaartte dit vraagstuk bij het Kabinet aan. Op 3 december zegde Minister van Onderwijs, van der Hoeven, toe de signalen serieus te nemen en een onderzoek in te stellen.

De stichting Vredeseducatie deed in 2003 een uitgebreid onderzoek naar antisemitisme op scholen. Citaat:

De helft van de klas reageert op de vraag hoe thuis over Joden wordt gesproken in de trant van: ‘Als ze thuis over Joden praten zeggen ze: ‘We haten Joden. Wij zijn thuis allemaal voor de Palestijnen. Mijn vader zegt dat ze er om vragen’ en ‘Laatst zei een meisje van 16 dat die 6 miljoen joden bedacht waren om Israel te stichten. Dat had ze gehoord op koranles’.

In het Parool van 3 oktober zegt de toenmalige Amsterdamse wethouder van Onderwijs Rob Oudkerk dat hij enkele maanden geleden is benaderd door enkele leraren die hem vertelden geen lessen meer te kunnen geven over de Holocaust “omdat de klas dan niet meer te houden is. Jongeren maken een hoop kabaal en roepen allerlei lelijke dingen. Er zou een dreigende sfeer ontstaan, zeiden ze. Een enkele keer zou een band van een auto zijn lek gestoken. Soms waren de bedreigingen heel wezenlijk. Over de telefoon. In de zin van: “Kijk uit. We weten waar je kind naar school gaat.” “In die sfeer is het dus ook niet zo raar dat leraren soms niet vertellen dat ze zelf Joods zijn of homo of lesbienne,” aldus Oudkerk. In een artikel in het weekblad Vrij Nederland (29 november) wordt uitgebreid ingegaan op antisemitisme op scholen. Citaten van enkele leraren:

Docent Bas Meijer vertelt dat op zijn vorige school sommigen ten onrechte overigens dachten dat hij Joods was.

Ik voelde de haat als ik langs ze liep. Ze sisten “vuile Jood”.



Een andere docent zegt:

Op mijn vorige school (…) zei ik om de leerlingen met antisemitisme te confronteren nog wel eens dat een deel van mijn familie Joods is. Nu durf ik dat niet meer zomaar. (…) Zo moet je je dus gevoeld hebben, eind jaren dertig.

Het is evident dat het antisemitisme op scholen, naast aandacht voor de uitingen van geweld op scholen, grote aandacht verdient.

Hetzelfde geldt voor de invloed die haatdragende berichtgeving over het Midden-Oostenconflict heeft op de etnische verhoudingen in Europa. Dit rapport is tot stand gekomen op basis van de meldingen die zijn binnengekomen bij CIDI, de Antidiscriminatie Bureau’s (ADB’s), het Meldpunt Discriminatie Internet en de Antifascistische Onderzoeksgroep Kafka. Evenals vorig jaar heeft ook de regiopolitie Amsterdam-Amstelland geanonimiseerde gegevens geleverd. Tevens is er gebruik gemaakt van de gegevens van de Commissie Gelijke Behandeling, de Vijfde Monitor over Racisme & Extreemrechts en de Monitor Racisme & Extreem Rechts Opsporing en Vervolging in 2002 van de Anne Frank Stichting en de Universiteit van Leiden, het Centraal Meldpunt Voetbalvandalisme (CIV), informatie van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en het Landelijk Expertise Centrum Discriminatiezaken (LECD). Voor wat betreft het CIV zij opgemerkt dat deze alleen aanhoudingen op grond van het antiracisme wetsartikel 137c-f SR registreert, maar deze niet specificeert. Deze gegevens laten dus niet zien om wat voor soort racistische uitingen het gaat.

CIDI wint vanaf 2001 zelf informatie in bij een aantal als Joden herkenbare personen, omdat toen vele verhalen over regelmatige scheldpartijen de ronde deden. Om de periodes met elkaar te kunnen vergelijken, zijn dezelfde personen dit jaar weer benaderd. Dit gebeurt vooral als extra controle op de bij ons binnengekomen meldingen en voor de bepaling van het daaruit te concluderen beeld over de staat van het antisemitisme in Nederland.

In alle in het verleden verschenen CIDI-rapportages over het antisemitisme in Nederland wijzen wij erop dat registreren complex is. De zwaarte van incidenten verschilt. Het vernielen van een bewakingscamera van een Joodse organisatie is van een geheel andere orde dan iemand met de dood bedreigen. Door onderscheid aan te brengen in ernstige en overige incidenten proberen we dit probleem enigszins te ondervangen. Daarnaast zijn er interpretatieverschillen over incidenten mogelijk. Zo is het de vraag of iemand in een ruzie werkelijk antisemitisch bejegend wordt, of dat het slachtoffer de ruzie als antisemitisch interpreteert. CIDI verkiest in geval van twijfel voor niet-opnemen, boven oneigenlijke discussies over het karakter van een opmerking. Dit beleid kan ertoe leiden dat niet alle bij andere organisaties gemelde incidenten opgenomen worden in de CIDI-rapportage.

Verschil van interpretatie is met name mogelijk over anti-Israel uitspraken. Sinds jaren is echter onze gedragslijn, dat pure anti-Israel uitlatingen, hoe virulent ook, niet in de CIDI-lijst van antisemitische uitingen opgenomen worden. Beschuldigingen dat Israel mensenrechten schendt, de Palestijnen onderdrukt of oorlogsmisdaden pleegt, beschouwen wij als politieke uitingen. Concreet: een leus als ‘Sharon moordenaar’ is weliswaar een belediging van een staatshoofd, maar geen antisemitische uitlating. Dat is ‘Adolf Sharon’ wel, omdat hiermee het doen en laten van de Israelische premier gelijk zou staan aan hetgeen de nazi’s de Joden hebben aangedaan.

Dit rapport kan uiteraard alleen iets zeggen over het aantal bekend geworden antisemitische voorvallen. Hoewel de Antidiscriminatie Bureau’s en CIDI grondig te werk gaan, moeten we ervan uitgaan dat niet alle voorvallen bekend worden.

Soms worden slachtoffers van antisemitische incidenten zo murw dat ze deze niet meer melden. Antisemitische gedachten zijn al helemaal niet te meten. Daarom is het een goed initiatief van de Amerikaanse Anti-Defamation League om ook jaarlijks een opiniepeiling onder de inwoners van diverse Europese landen te houden over de vooroordelen die ze over Joden koesteren.
Date: 2005
Abstract: Vorig jaar (2003) constateerde CIDI een lichte daling van het aantal geregistreerde incidenten. Dit jaar (2004) is het aantal vrijwel op hetzelfde niveau. CIDI is ervan overtuigd dat deze daling mede te danken is aan het feit, dat zowel op overheidsniveau als op NGO-niveau de bestrijding van antisemitisme op de agenda is blijven staan. Dat stemt enigszins hoopvol en betekent dat dit ook de komende jaren zo dient te blijven. In de conclusie zullen wij dieper ingaan op hetgeen sterke verbetering behoeft, zoals het vrijmaken van tijd en gelden voor het invoeren van antidiscriminatie programma’s op scholen en justitieel optreden. Te vaak blijven grote zaken liggen of worden zij geseponeerd.

In Nederland lieten de jaren 2000 tot en met 2002 een verontrustende scherpe stijging zien van het aantal antisemitische incidenten. Ook de aard ervan werd ernstiger. Er is nog steeds sprake van een hoog niveau, hoewel in 2003 de stijgende lijn werd doorbroken met een daling naar 334 incidenten van 359 in 2002. Het totaal aantal incidenten in 2004 bedraagt 326: geen stijging, maar nog steeds een hoog niveau. Ook in de periode januari-mei 2005 vindt geen stijging plaats in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Deze laatste registratieperiode betreft overigens alleen de bij CIDI gemelde voorvallen.

Antisemitisme op scholen
Zeer zorgelijk blijft het grote aantal meldingen vanuit het onderwijs. Het aantal incidenten (18) is in 2004 weliswaar hetzelfde als in 2003, maar in vier gevallen is er sprake van dreiging met geweld. Een klasgenoot bedreigde een Joodse medeleerlinge met de woorden “als je dat doet, kom ik met al mijn familie en vrienden uit de buurt om je in elkaar te slaan”. De Joodse leerlinge had gezegd dat zij de antisemitische slogans van de dader zou melden. Deze waren: “Jij liegt, alle Joden zijn leugenaars” en “Ja, ja, Joden zijn verboden, Joden moet je doden.” Op een andere school was op het schoolbord geschreven: “Joden doden is niet erg, Hitler deed het ook.” Opvallend is dat vijf van de in 2004 gemelde incidenten Amstelveense scholen betreffen.

Uit onderzoeken blijkt dat leerlingen zeker na de moord op cineast Theo van Gogh zijn gaan radicaliseren. Dit geldt zowel voor sommige jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, die hun pijlen richten op het Nederlandse stelsel van normen en waarden, maar ook voor sommige autochtone leerlingen die zich schuldig maken aan racisme richting leerlingen van Noord-Afrikaanse afkomst. Dat beeld wordt bevestigd door het in juni 2005 verschenen onderzoek dat in opdracht van de Algemene Onderwijsbond en AT5 door de Dienst Onderzoek en Statistiek van de Gemeente Amsterdam naar extremisme en radicalisering in het Amsterdamse voortgezet onderwijs is uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt antisemitisme het hoogste te scoren. Uitingen gericht tegen Joden of Israel wordt door 31% van de leraren vaak of soms waargenomen, antiwesterse uitlatingen, waaronder uitspraken tegen homo’s door 29%. Uitingen gericht tegen Moslims wordt door 18% van de leraren waargenomen en het goedkeuren van politiek geweld vanuit extreem-rechtse of racistische motieven 16%.

Educatie over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust blijft een belangrijk instrument om te laten zien waartoe racisme in zijn ultieme vorm kan leiden.

Antisemitisme in het buitenland
Evenals vorig jaar is de Nederlandse situatie een gunstige uitzondering in vergelijking met het buitenland. Volgens het Stephen Roth Institute, dat verbonden is aan de Universiteit van Tel Aviv, was het aantal gevallen van antisemitisch geweld en vandalisme in 2004 wereldwijd het hoogste van de afgelopen vijftien jaar. De studie noemt de frustratie onder jonge moslimimmigranten in rijke landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en Canada de belangrijkste factor in de toename van antisemitische incidenten.

Wereldwijd vonden er 482 ernstige incidenten plaats, waarvan 20 fysiek geweld betroffen. In 2003 waren deze cijfers 330 en 30. De toename van het aantal incidenten betreft in West-Europa met name Groot-Brittannië, Frankrijk en België. In Rusland steeg het aantal incidenten met 40%.

Het alledaagse antisemitisme waarvan de Joodse gemeenschap slachtoffer is, wordt sterk gevoed vanuit de haatideologieën die zich via het internet en virulent antisemitische satellietuitzendingen in het onderbewustzijn van mensen nestelen. Die ideologieën vallen nog eens op extra vruchtbare bodem bij hen, die al traditionele vooroordelen over Joden hebben. Uit recent onderzoek van de Anti-Defamation League (juni 2005) blijkt dat traditionele antisemitische stereotypen – zoals Joden die overal aan de touwtjes trekken – nog steeds hardnekkig zijn. Het onderzoek werd uitgevoerd onder 6000 Europeanen in 12 Europese landen, waaronder Nederland. Bijna 30% van alle ondervraagden is van mening dat Joden teveel macht in de zakenwereld hebben en 32% vindt dat Joden teveel macht in de financiële wereld hebben. Zo’n 20% houdt de Joden verantwoordelijk voor de kruisiging van Jezus; 29% zegt dat hun opinie over Joden wordt beïnvloed door de Israelische politiek en van hen zegt 52% dat hun opvattingen over Joden verslechteren vanwege Israel.

In Nederland antwoordde 18% positief op de vraag of Joden teveel macht in de zakenwereld hebben. In 2003 was dat ook 18%. Op de vraag of Joden teveel macht in de financiële wereld hebben antwoordde 19% bevestigend. En ook dat was geen verschil met 2003. In Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en België was er voor beide vragen een afname. In Frankrijk bedroeg die op de eerste vraag zelfs 8%, nl. van 33% naar 25% en in Engeland was dat 6%, nl. van 20% naar 14%.

Het conflict tussen Israel en de Palestijnen blijft sterke emoties oproepen. Negatieve gevoelens over de Israelische politiek worden rechtstreeks op Joden geprojecteerd. Dit wordt nog eens versterkt doordat de Arabische media, die ook hier worden ontvangen, geen onderscheid maken tussen Israel en Joden. Uit de diverse dialoogactiviteiten met leden van de Moslimgemeenschap, die CIDI zelf initieert of waaraan CIDI-medewerkers deelnemen, blijkt echter dat, hoe moeizaam ook, beide groepen in staat zijn ondanks politieke meningsverschillen met elkaar te werken aan een coherente samenleving.
Author(s): Friedmann, Elise
Date: 2009
Abstract: Het jaar 2008 was relatief rustig met 108 incidenten, een zeer lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor. Het jaar was nog niet eens afgelopen toen de Israelische actie in Gaza begon: in minder dan één maand kwamen er 98 meldingen binnen, bijna evenveel als in heel 2008. CIDI rapporteerde deze periode apart en analyseerde de hatemails om te zien wat voor antisemitische ideeën achter de hategolf zaten.

Na een relatief rustig jaar 2008, met 108 antisemitische incidenten tegen 104 in het jaar daarvoor, telde CIDI tijdens de operatie Cast Lead (27 december 2008 tot 23 januari 2009) in minder dan één maand 98 antisemitische incidenten. Dat is bijna evenveel als in het hele jaar 2007 of 2008. Dit is een internationale beweging. Andere Europese landen registreerden ook een sterke stijging, terwijl de ontwikkeling van het aantal antisemitische incidenten in ‘rustige perioden’ per land heel verschillend kan zijn.

Tijdens de Gazaperiode was het aantal meldingen van ernstige incidenten – fysiek geweld en concrete bedreiging daarmee – hoger dan in elk van de twee jaren daarvoor (3 in 2007, 5 in 2008, 9 tijdens Gaza).

Antisemitische uitingen op internet zijn als vanouds niet door CIDI geteld. Het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) meldde, evenals de politie, voor 2008 een vergelijkbare rust. Het aantal antisemitische incidenten dat politie en MDI registreerden in 2008 was echter hoog in verhouding tot andere discriminerende incidenten. Hoewel het geschatte aantal Joden in Nederland (40.000) veel lager is dan het aantal moslims (850.000 in 2007), registreerde de politie in 2008 141 incidenten wegens ‘Joods zijn (of er zo uitzien)’, tegen slechts 116 incidenten wegens ‘Moslim zijn (of er zo uitzien)’. En hoewel de meeste bij MDI gemelde uitingen in 2008 betrekking hadden op moslims (met een verschil van 1), zijn de meeste strafbaar geachte uitingen in 2008 (252) antisemitisch.

Als altijd bij dergelijke pieken viel tijdens de Gazaperiode de grote stijging van antisemitische e-mails op. Het eveneens hoge aantal meldingen van antsemitische uitingen op internet – vrijwel altijd lezersreacties op bona fide nieuwssites – is door CIDI als gewoonlijk niet geteld; de meeste zijn gemeld bij het MDI. Dat telde tijdens de Gazaperiode 78 antisemitische uitingen, “tweemaal zoveel als normaal”.

Voor zover een signalement bekend is, waren de daders van ‘real life’-incidenten vrijwel altijd Marokkaans of ‘er zo uitziend’. Er zijn daarentegen aanwijzingen dat onder de circa vijftig mensen die hun haat per email of schriftelijk uitstortten over Joodse en Israelische instellingen en personen, waarschijnlijk veel autochtonen waren. Daarbij werden weinig rechts-extremistische uitdrukkingen of beelden gebruikt.

In reacties op het gebeuren in Gaza uitten veel mensen niet alleen een politieke mening over de daden van de Israelische regering (hetgeen door CIDI niet als antisemitisch wordt geteld), maar spuiden zij klassieke antisemitische vooroordelen over ‘de’ Joden.
Daarbij werd opvallend vaak de Holocaust ontkend of gebagatelliseerd. In de gemelde e-mails in 2007 werd dit geen enkele maal gedaan, in 2008 zeven keer; tijdens de Gazaperiode 20 maal. Vergelijkingen tussen Israel/Joden/Israeli’s enz en nazi’s kwamen in 2007 tweemaal voor, in 2008 11 keer; tijdens de Gazaperiode 19 keer. Nog vaker werd gezegd dat de Holocaust ‘volkomen terecht’ was, ‘afgemaakt’ had moeten worden, of alsnog moet worden afgemaakt omdat ‘alle Joden dood moeten’. Dit was de meest voorkomende antisemitische uitspraak in de geanalyseerde e-mails: hij werd tweemaal gedaan in 2007, 15 keer in 2008 en 23 keer tijdens ‘Gaza’.

Het gelijkstellen van Israelische acties aan de Holocaust, of zelfs zeggen dat de Holocaust minder erg is dan Israelische acties, is nooit eerder zo massaal in Nederland gepropageerd als tijdens de Gazaperiode. Dit gebeurde door op grote schaal via internet en e-mail verspreide fotomontages, maar meer nog door specifiek op Nederland gerichte pamfletten die in enorme aantallen door het hele land huis aan huis zijn verspreid. Taalfouten in de tekst achterop het pamflet lijken te wijzen op niet-Nederlandse opstellers. Gezien de grote schaal van de verspreiding en de gemaakte kosten gaat het mogelijk om een organisatie.

In alle categorieen incidenten was vooral de grootschaligheid van de haat verontrustend. Honderden, met tv-kijkers meegeteld duizenden mensen die helemaal niets te maken hebben met het conflict, werden er ongevraagd mee geconfronteerd. Vooral de spreekkoren die tijdens demonstraties ‘Hamas, Hamas, Joden aan het gas’ en ‘ Hitler, Hitler, Hitler’ scandeerden, maakten een beangstigende indruk op grote aantallen ooggetuigen en tv-kijkers.

De heftige reactie op gebeurtenissen in het buitenland, alléén wanneer het om Israel gaat, blijft een zorgelijk fenomeen. Daarbij is het verontrustend dat ook mensen die zich niet antisemitisch uiten het vaak volkomen normaal lijken te vinden dat anti-Israelgevoelens leiden tot anti-Joodse gevoelens en daden. Zo lang deze foute grondhouding blijft bestaan, kan de Joodse gemeenschap in Nederland op elk willekeurig moment, steeds opnieuw, het slachtoffer worden van een nieuwe antisemitismegolf. Het is een waanidee dat op alle mogelijke manieren voortdurend moet worden bestreden.

Uit een analyse van onder meer de bij CIDI gemelde e-mails blijkt dat voor de verzenders de Holocaust niet langer geldt als universele waarschuwing tegen antisemitisme. Deze hatemailers schuiven integendeel Israel/Joden enz. ten onrechte vergelijkbare of ergere vergrijpen in de schoenen als rechtvaardiging voor antisemitisme en om het bestaansrecht te betwisten van niet alleen Israel, maar vaak het gehele Joodse volk waar ook ter wereld. Voorstellen zoals van de VVD, die maken dat het ontkennen van de Holocaust onder bijna alle omstandigheden niet langer strafbaar is, zijn juist in deze omstandigheden buitengewoon contraproductief.

Bovendien gaat van het feit dat Justitie antisemitisme uiterst traag en soms pas na veel aandringen en lijkt te vervolgen een verkeerde voorbeeldwerking uit. Direct benadeelden blijven zich onveilig voelen doordat Justitie hen meestal niet informeert als er wel actie wordt ondernomen.

CIDI merkt al jaren op dat de sfeer in Nederland, ook tijdens ‘piekjaren’, minder grimmig is dan in andere Europese landen. Daarvoor verdienen onder meer landelijke politici een compliment, althans degenen onder hen die niet ‘meehuilen met de wolven in het bos’. Hun grote inzet bij het bestrijden van racisme en van de verharding van het maatschappelijk discours mag niet onderschat worden. Het is te hopen dat dit zo blijft.
Translated Title: Antisemitism report 2009
Date: 2010
Abstract: Het aantal gemelde antisemitische incidenten in 2009 (167) lag 55% hoger dan in 2008 (108). De stijging geldt ook voor het aantal ernstige voorvallen (Geweld, bedreiging met geweld, vernielingen). Vergeleken het jaar 2007 is de stijging zelfs 106%. Tot juni 2010 zijn er bij CIDI 70 incidenten gemeld. waaruit voorzichtig kan worden afgeleid dat, als er geen maatregelen worden getroffen, dit jaar een zelfde beeld kan hebben als 2009.

Omdat lang niet alle incidenten worden gemeld, hecht CIDI in de sinds 1983 jaarlijks gepubliceerde ‘Monitor van Antisemitische Incidenten in Nederland’ doorgaans meer waarde aan de trends die uit de cijfers blijken, dan aan de ‘kale’ cijfers zelf. Door de recente aandacht voor antisemitisme in Nederland, die vanmiddag uitmondde in een spoeddebat in de Tweede Kamer, heeft CIDI besloten voorlopige cijfers ter beschikking te stellen over het aantal gemelde antisemitische incidenten in 2009 en begin 2010.

Deze cijfers zijn nog geflatteerd, omdat de informatie van met name de Amsterdamse politie over 2009 ontbreekt. In de telling voor 2010 ontbreken zelfs de cijfes van het Antidiscriminatie Bureau Amsterdam. Aanvankelijk wilde CIDI wachten op de politiecijfers voor 2009. Nu er urgentie bestaat voor meer inzicht en het onwaarschijnlijk is dat de Amsterdamse politie de benodigde informatie heeft, komen we toch met cijfers naar buiten.

Daaruit blijkt dat in 2009 het aantal gemelde incidenten ten opzichte van 2008 met 55% is gestegen. Van 108 naar 167 incidenten. De stijging geldt ook voor het aantal ernstige voorvallen (Geweld, bedreiging met geweld, vernielingen). Vergeleken het jaar 2007 is de stijging zelfs 106%. Tot juni 2010 zijn er bij CIDI 70 incidenten gemeld, waaruit voorzichtig kan worden afgeleid dat, als er geen maatregelen worden getroffen, dit jaar een zelfde beeld zal hebben als 2009.

Het zal duidelijk zijn dat deze gegevens CIDI verontrusten, hoewel ze een zelfde trend vertonen als in het buitenland. Maatregelen als het op heterdaad kunnen betrappen van antisemitisme op straat en op het internet, Holocaust onderwijs op scholen, harder optreden tegen Holocaustontkenning en het verplicht en specifiek door de politie registreren van aangiften tegen antisemitisme, zouden het leefklimaat van Nederlandse Joden kunnen verbeteren. Overigens hechten wij niet alleen waarde aan het aantal meldingen, maar ook aan de motieven achter het antisemitische gedrag (voor zover die er zijn), omdat de analyse daarvan inzicht biedt in de te nemen maatregelen. Die analyse komt samen met de definitieve cijfers op een later moment ter beschikking.

Bij het hanteren van de voorlopige cijfers van gemelde antisemitische incidenten over 2009 en begin 2010 is het essentieel te weten dat in werkelijkheid het aantal incidenten tegen Joden vele malen hoger ligt. Dat komt door het volgende:
• Lang niet alles wordt gemeld. Veel Joden hebben het melden opgegeven omdat ze denken dat het niet helpt of uit angst. De cijfers zijn derhalve te laag voor significante conclusies, maar geven wel een duidelijke trend.
• Een aantal cijfers voor 2009 ontbreekt nog; voor 2010 zijn dat er nog meer. Dit is aangegeven onder de tabel.
• Een groot aantal e-mails verzonden door één persoon worden geteld als één incident. Hetzelfde geldt voor één e-mail die op verschillende momenten aan meerdere personen/instanties is gezonden.
• Ook een groot aantal voorvallen gericht tegen één persoon tellen als één incident.
Author(s): Friedmann, Elise
Date: 2011
Abstract: De CIDI Monitor antisemitische incidenten in Nederland registreerde in 2010 124 antisemitische incidenten, een substantiële daling (25,7%) ten opzichte van het 2009, toen de Israelische operatie Cast Lead voor een piek zorgde. Dit aantal is echter nog steeds 15% hoger dan in het rustiger jaar 2008, met ‘slechts’ 108 incidenten.
Het ontbreken van een lange crisis rond Israel in 2010 heeft een rol gespeeld bij deze daling. Opmerkelijk is echter dat het aantal antisemitische incidenten in Nederland minder daalde dan in andere West-Europese landen. Alleen in Groot Brittannië bleef het aantal net als in Nederland hoger dan in 2008.

Incidenten in de buurt, op school of werk daalden in 2010 niet. Zij stegen de laatste vier jaar licht maar constant, van 13 in 2007 naar 23 in 2010: een stijging van 77% in vier jaar. Deze verontrustende trend valt in 2010 voor het eerst op en is niet toe te schrijven aan ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Mogelijk blijft in de privésfeer toch iets hangen van de (te) vele antisemitische uitingen die men vooral op internet ziet en soms op straat kan horen.

Daarbij viel op dat in toenemende mate slachtoffers weigerden werk te maken van de beledigingen, uit angst dat ze daardoor nog meer last zouden krijgen in de privésfeer.

‘Real Life’ –incidenten, die in 2009 dramatisch waren gestegen naar 61, daalden in 2010 weer naar vrijwel het niveau van 2008. Deze abrupte piek geeft aan dat Nederlandse Joden plotseling overvallen kunnen worden door agressie in hun dagelijks leven bij conflicten in het Midden-Oosten. Tegen deze uitbarstingen en het hierdoor stijgende gevoel van onveiligheid dienen betere opsporingsmiddelen (undercover agenten, cameratoezicht) en een lik-op-stuk-beleid te worden ingezet.

In 2010 registreerde CIDI 47 e-mails, bijna evenveel als in 2009. Schrijvers van antisemitische mails leggen buitengewoon vaak verband tussen hun vooroordelen over Joden nu en de Holocaust, die zij soms met terugwerkende kracht goedpraten.
De Tweede Kamer toonde zich in 2010 bezorgd over de scherpe stijging van het antisemitisme. De regering echter ‘wilde antisemitisme niet verbijzonderen’ door een registratie van aangiften per gediscrimineerde groep in te voeren en negeerde een motie daartoe van een meerderheid in de Kamer. Uit de brief die de ministers Donner en Opstelten op 8 juli 2011 naar de Kamer zonden, blijkt dat de regering deze lijn doorzet. CIDI betreurt dit zeer. Verbeterde registratie per discriminatiegrond kan meer inzicht bieden in de te nemen maatregelen. De CIDI Monitor biedt al bijna 30 jaar inzicht in de ontwikkeling van antisemitische uitingen, maar is niet alomvattend. Goede politieregistratie zou veel extra informatie kunnen geven, onder meer over de eventuele samenhang tussen incidenten.

Justitie, OCW en VWS baseren nu nog hun beleid vooral op het Poldis politierapport, hoewel dit zelf stelt dat “niet alleen werkelijke discriminatie de cijfers bepaalt, maar ook de politie-registratiepraktijk.” Dit maakt het Poldisrapport een ondeugdelijk middel om verschuivingen in het niveau van antisemitisme te signaleren. Poldis rapporteert voor 2010 een stijging van 209 naar 286 antisemitische incidenten, ruim 36%. Deze stijging staat haaks op de door CIDI, Meldpunt Discriminatie Internet, AntiDiscriminatieBureau Amsterdam en internationale onderzoekers gesignaleerde trend en is waarschijnlijk slechts de weerslag van andere registratiemethodes. Door genoegen te nemen met deze ondeugdelijke registratie en Kamermoties te negeren, zendt Justitie een verkeerd signaal uit.

Het kleine aantal Joden in Nederland (52.000) en het relatief hoge aantal incidenten tegen Joden, maakt dat antisemitisme relatief gesproken al jarenlang de meest voorkomende vorm van discriminatie in Nederland is, gevolgd door discriminatie tegen homo’s.
Date: 2013
Abstract: Na twee jaren waarin het aantal antisemitische incidenten daalde, registreerde CIDI in 2012 vrijwel evenveel incidenten als in 2011. In 2012 telde CIDI 114 antisemitische incidenten, één meer dan het jaar daarvoor. Het totaal aantal incidenten blijft boven het niveau van voor het piekjaar 2009.

Hoewel het totaal aantal incidenten niet noemenswaard steeg, vindt CIDI de ontwikkelingen in 2012 om twee redenen verontrustend:
– bij de twee soorten incidenten die stegen – haatmail en incidenten in het kader van sport – lag de aanleiding voor deze stijging niet in de buitenlandse politiek maar in eigen land.
– voor het eerst sinds CIDI de Monitor Antisemitische Incidenten bijhoudt, sinds 1983, zeiden twee melders dat het antisemitische incident dat ze meldden, de doorslag gaf om naar Israel te emigreren. Bij een van deze melders ging het om een serie incidenten die zich al jaren voordeed; hij constateerde een verergering.

‘Verzoeningsacties’ rond Dodenherdenking en terechte Joodse protesten tegen het herdenken van daders en slachtoffers samen, hebben dit jaar aanwijsbaar antisemitische incidenten tot gevolg gehad. Dit uitte zich voornamelijk in haatmails, waarin de schrijvers Joden ‘haatdragendheid’ verweten, ‘overgevoeligheid’, of het ‘altijd willen opeisen van een bijzondere plaats’. In reacties klinkt in het beste geval de opvatting door dat het herdenken van Joodse slachtoffers van de Holocaust ‘nu wel lang genoeg heeft geduurd’. In de slechtste gevallen werd daaraan toegevoegd dat de Holocaust ‘volkomen terecht’ was.

Fysiek geweld en bedreigingen met geweld stegen dit jaar met 2 incidenten van 4 in 2011 naar 6 in 2012. Ook het aantal incidenten in de categorie ‘Sport’ nam toe: van 5 in 2011 naar 13 incidenten in 2012. Mogelijk zorgde toegenomen media-aandacht voor incidenten op voetbalvelden voor meer meldingen, maar de incidenten deden zich niet alleen voor bij betaald voetbal.

Daartegenover staat dat het aantal meldingen van scheldpartijen en lastig vallen op straat gehalveerd is ten opzichte van 2011, van 28 naar 14 incidenten in 2012. Dit wil niet zeggen dat het aantal scheldpartijen ook werkelijk is gedaald. Melden is essentieel om een goed beeld te krijgen van wat er speelt. Vooral bij de relatief kleine groep die regelmatig op straat wordt uitgescholden en lastig gevallen, signaleerde CIDI in 2012 een grote mate van ‘meldingsmoeheid’. Dit uitte zich bijvoorbeeld doordat en passant via Twitter een dergelijk incident werd gemeld, dat echter niet kon worden geregistreerd omdat de melder onvoldoende gegevens verstrekte. CIDI start in juni 2013 een brede campagne om deze meldingsmoeheid tegen te gaan.

Hieronder de belangrijkste conclusies van de Monitor Antisemitische Incidenten in Nederland 2012 op een rij:
CIDI registreerde 114 antisemitische incidenten in 2012, tegen 113 in 2011. Voor het eerst in twee jaar is het aantal incidenten niet gedaald en het is nog steeds niet op het niveau van voor 2009, toen een Israelische actie voor een piek zorgde.
Fysiek geweld en bedreiging stegen samen met 2 incidenten, van 4 naar 6.
Scheldpartijen en lastig vallen op straat daalde van 28 in 2011, naar 14 incidenten in 2012.
Het aantal vernielingen en antisemitische bekladdingen van zowel Joodse als overige doelen zijn afgenomen van 22 incidenten in 2011 naar 14 in 2012.
Schriftelijke uitingen zijn ten opzichte van 2011 verdubbeld van 22 naar 44 uitlatingen in 2012. Deze stijging is deels veroorzaakt door de controverses rond Dodenherdenking.
Het aantal incidenten in de categorie ‘Sport’ steeg van 5 naar 13 incidenten.
Author(s): Muller, Guy
Date: 2014
Abstract: De CIDI Monitor antisemitische incidenten 2013 registreerde een stijging van ruim 25%: van 114 in 2012 naar 147 in 2013. Uit onderzoek blijkt bovendien dat veel gevallen van discriminatie nergens worden gemeld.

De toename aan incidenten vindt CIDI des te zorgelijker, omdat deze deels wordt veroorzaakt door rechtstreekse confrontaties tussen slachtoffer en dader. Het aantal scheldpartijen op straat steeg met 50% naar 21 incidenten in 2013, tegen 14 in 2012. Het aantal incidenten op scholen verdubbelde. Het steeg van 5 incidenten in 2012 naar 11 in 2013, terwijl achter één incident soms maanden van gepest tegen een enkele scholier schuilgaan. Schriftelijke uitingen stegen met 16 incidenten naar 60 door een toename van meldingen over Twitter, waar vooral tieners vooroordelen uitten over Joden.

Deze cijfers staan natuurlijk niet op zichzelf. Ook andere minderheidsgroeperingen in Nederland worden gediscrimineerd. Daarom roepen CIDI en het Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT) minister Asscher van SZ en W en minister Bussemaker van OC en W op, een landelijk onderzoek te doen naar vooroordelen onder jongeren. Deze samenwerking tussen CIDI en IOT is een rechtstreeks gevolg van de Rondetafelgesprekken met de ministers naar aanleiding van de antisemitische uitspraken door ‘Arnhemse Jongeren’ in de NTR-uitzending van Onbevoegd Gezag vorig jaar.

Discriminatie, ook antisemitisme, begint met vooroordelen. Dat is de basis en ondanks de vele onderzoeken die zijn gedaan, heeft de Nederlandse samenleving daarop nog steeds geen zicht. Daardoor ontbreekt ook de mogelijkheid om de effectiviteit te meten van programma’s tegen antisemitisme. CIDI adviseert het onderzoek ‘Jong in Antwerpen en Gent’ (2013) als raamwerk te gebruiken, waardoor wel een duidelijk beeld kan ontstaan van de aard en omvang van het probleem.
Author(s): Muller, Guy
Date: 2015
Abstract: De CIDI Monitor antisemitische incidenten 2014 registreerde een stijging van 71%: van 100 incidenten in 2013 naar 171 in 2014.

Ook de zwaarte van de incidenten nam toe. Vooral mensen die door bijvoorbeeld een keppel als Jood herkenbaar zijn, waren doelwit van veel directe confrontaties: scheldpartijen en lastigvallen op straat stegen met 90% (40 incidenten in 2014, tegen 21 in 2013). Het aantal incidenten met fysiek geweld verdubbelde (van 3 naar 6).

Circa de helft van de incidenten speelde zich af tijdens de Gaza-oorlog in de zomer van 2014. Het is een bekend verschijnsel dat antisemitische gedragingen en uitingen toenemen bij grote militaire acties van Israel. Maar gewelddadigheden in het Midden-Oosten kunnen nimmer een rechtvaardiging zijn voor racistische en antisemitische gedragingen hier.

De ernstige stijging van het aantal incidenten in 2014 zorgde voor een versterkt gevoel van onveiligheid bij de Joodse gemeenschap, zeker gekoppeld aan de aanslag in het Joods Historisch Museum in Brussel in mei 2014 en de dreiging van terugkerende jihadstrijders. Door het niet ingrijpen van autoriteiten in Den Haag bij kreten als “Dood aan de Joden” tijdens de ISIS-demonstratie in juli voelden Joden zich terecht onbeschermd.

Dat sinds half 2014 Joodse instellingen zichtbaar worden bewaakt, neemt dit gevoel voor een deel weg. Zeker zo belangrijk daarbij is het feit dat de overheid stelling neemt tegen incidenten. CIDI juicht het toe dat premier Rutte en minister Asscher geweld en antisemitisme in sterke bewoordingen veroordelen. Het consequent volhouden van deze afwijzing draagt er toe bij dat antisemitische incidenten in Nederland nog steeds minder vaak voorkomen en minder gewelddadig zijn dan in andere West-Europese landen.
Een voor CIDI zorgelijk verschijnsel was het (niet) optreden van agenten bij evidente gevallen van antisemitisme. Een deel van de politie keek het liefst weg. Een vrouw die een bedreiging met geweld na een feestje wilde melden bij de politie, kreeg te horen: “Hadden jullie wel een vergunning voor dat feest?” Het doen van aangifte werd soms ontmoedigd, in strijd met het beleid dat juist de aangiftebereidheid wil versterken.

CIDI acht het zeer zorgwekkend dat juist op scholen, waar burgerschap, democratie en respect dienen te worden onderwezen, veel incidenten werden gemeld. In 2014 waren er 15 incidenten op en rond scholen. Eén Joodse jongen werd gestoken met een geo-driehoek. Hij liep een buikwond op van ruim 20 cm. Incidenten op scholen vertonen al jaren een opwaartse trend. Scholen moeten klachten van ouders serieus nemen, daders aanpakken en in de klas waarden als burgerschap en respect onderwijzen. In 2014 kwam het enkele keren voor dat het slachtoffer moest uitwijken naar een andere klas of school. Dit zet de zaak op zijn kop. Als er íemand verwijderd moet worden, dan de dader, vindt CIDI.
Naast meer aandacht voor de bestrijding van het antisemitisme in het onderwijs, dient een landelijk onderzoek plaats te hebben naar antisemitische vooroordelen en radicalisering onder middelbare scholieren. Voorts beveelt CIDI aan de pakkans bij incidenten op straat te vergroten door regelmatig undercover agenten mee te laten lopen met herkenbare Joden.

CIDI, Centrum Informatie en Documentatie Israel, registreert al ruim 30 jaar de antisemitische incidenten in Nederland.
Author(s): Muller, Guy
Date: 2016
Abstract: De CIDI Monitor Antisemitische Incidenten registreerde in 2015 meer antisemitische incidenten op Nederlandse scholen dan in de afgelopen tien jaar, terwijl het totale aantal incidenten juist daalde. CIDI dringt aan op maatregelen om het antisemitisme op scholen terug te dringen. In totaal registreerde CIDI in 2015 126 incidenten; dat was 26 procent minder dan in het piekjaar 2014, maar nog steeds boven het ‘normale’ niveau. De daling van het totale aantal incidenten wordt vooral verklaard door minder gescheld op straat en door de afname van het aantal haatmails; andere soorten incidenten bleven gelijk of stegen.

Het aantal antisemitische incidenten op scholen is in tien jaar niet zo hoog geweest als in 2015. CIDI registreerde 16 incidenten op ‘scholen’, van de basisschool tot op de universiteit. Het is voor het derde jaar op rij dat incidenten in en rond scholen stijgen. CIDI-directeur Hanna Luden spreekt van een “zorgelijke trend”: “Antisemitische incidenten brengen de veilige leeromgeving van leerlingen in gevaar en een stijging voorspelt weinig goeds voor de toekomst”, aldus Luden.

Ook antisemitische spreekkoren in het voetbal acht CIDI zorgelijk. Het aantal incidenten in de categorie ‘sport’ verdubbelde. CIDI telde 10 incidenten in 2015, tegen 5 het jaar daarvoor. Vrijwel alle incidenten in de sport doen zich voor rond het voetbalveld. Anders dan gedacht, gaat het in ruim de helft van de gevallen niet om scheldkoren bij wedstrijden tegen AJAX. In 2016 hebben de eredivisieclubs een betere aanpak afgesproken met de KNVB en Eredivisie CV: CIDI vindt dat hier streng op moet worden toegezien.

Het aantal incidenten met bekenden in de ‘directe omgeving’ steeg fors. Dit waren er 36 in 2015, het hoogste aantal sinds 2011 en 20% meer dan het voorgaande jaar (30). Het gaat hier om incidenten met bijvoorbeeld collega’s, buren, of medeleerlingen.

Voor het overige blijven incidenten met vandalisme en geweld relatief hoog. In 2015 werd in 5 gevallen fysiek geweld gebruikt (slechts 1 minder dan het jaar daarvoor). Zo werd in Arnhem een Joodse jongen tijdens het uitgaan door een groepje daders uitgescholden voor “kankerjood”, tegen de grond geduwd, en geslagen. In Amsterdam werd een vrouw antisemitisch uitgescholden en bij de keel gegrepen, en in Enschede brak een man op meerdere plekken zijn pols tijdens een ruzie met een leverancier die “Sieg heil” naar hem schreeuwde. In geen van die gevallen is een dader gevonden of vervolgd.

CIDI dringt aan op maatregelen om het antisemitisme op scholen te voorkomen en bestrijden. Er dient een antidiscriminatie-leertraject op te worden gezet, dat alle leerlingen al vanaf jonge leeftijd doorlopen en waarin ook Nederlandse kernwaarden als democratie, inclusie en respect voor elkaar worden bijgebracht.
Translated Title: Antisemitism Report 2011
Author(s): Friedmann, Elise
Date: 2012
Abstract: In 2011 daalde het aantal antisemitische incidenten dat CIDI registreerde naar 113, tegen 124 in 2010. Deze afname is vooral te danken aan een daling van het aantal haat e-mails: van 47 in 2010 naar 18 in 2011. Op straat zijn echter steeds meer mensen slachtoffer van antisemitische scheldpartijen en lastig vallen.
Het aantal confrontaties op straat steeg fors: het waren er 28 in 2011. Dat is 40 procent meer dan in 2009, toen het aantal antisemitische incidenten piekte onder invloed van de Israelische actie in Gaza. In dat jaar waren er 20 scheldincidenten op straat. In 2011 was er echter geen buitenlandse oorzaak aan te wijzen.

Het aantal scheldincidenten is ten opzichte van 2010 zelfs verdrievoudigd: toen telden wij 8 scheldincidenten. Dit laat zien dat de meldingsbereidheid in dat jaar een dieptepunt bereikte. Veel melders zeggen dat zij al jaren lang worden uitgescholden, maar dat het de laatste jaren vaker gebeurt.

Het is verontrustend dat het aantal scheldpartijen door onbekenden op straat stijgt en dat slachtoffers ze vaak niet melden, ook omdat het schelden soms overgaat in fysieke bedreiging of geweld. Er is een drempel om naar de politie te stappen: het vergt veel tijd en slachtoffers denken dat de daders toch niet kunnen worden opgespoord omdat het onbekenden zijn.
Toch is melden essentieel omdat de maatschappij anders het zicht op de (on)veiligheid op straat verliest. CIDI dringt dan ook met klem aan antisemitische incidenten bij politie en gespecialiseerde organisaties als CIDI te melden.

Voor wat betreft de incidenten die wel bij de politie worden gemeld, belooft de regering al sinds 2008 een betere, uniformere registratie toe te passen. Daarvan is echter op het moment van publicatie van deze monitor nog geen sprake.

CONCLUSIES UIT DE CIDI MONITOR OP EEN RIJ:

CIDI registreerde 113 antisemitische incidenten in 2011, tegen 124 in 2010.
De afname is grotendeels te danken aan een daling in haat e-mails, van 47 naar 18.
Het niveau van alle antisemitische incidenten is nog niet gedaald naar dat van vóór piekjaar 2009.
‘Fysiek geweld en bedreiging met geweld’ daalde van 5 naar 4, in 1 geval werd daadwerkelijk geweld gebruikt.
Het aantal confrontaties op straat – scheldpartijen en lastig vallen – verdrievoudigde: van 9 in 2010 naar 28 in 2011. Dit is 40% meer dan in piekjaar 2009 (20).
Vandalisme van Joodse doelen verdubbelde, van 3 naar 6.
Overige vernielingen/bekladdingen stegen van 10 naar 13.
Alle soorten ‘Real Life’–incidenten bij elkaar stegen van 34 in 2010 naar 55 in 2011.
Incidenten met bekenden (buren, collega’s, medeleerlingen) stijgen al vijf jaar langzaam en gestaag, maar bleven het laatste jaar constant op 23.
Translated Title: 2005 Report
Date: 2006
Abstract: Ce rapport contient:

une analyse générale;
une comparaison des actes antisémites pour les années 2000 à 2006;
le total des actes antisémites pour l’année 2006;
le total des incidents par type d’incident;
le total des incidents par type de cible;
ainsi que le total des incidents par ville.

Analyse des incidents antisémites recensés au cours de l’année 2005

Du 1er janvier au 31 décembre 2005, 60 incidents antisémites ont été recensés en Belgique. Les villes les plus touchées sont Bruxelles et Anvers, suivent la région du Brabant wallon (banlieue sud de Bruxelles), Knokke, Namur et Eupen. Certains actes touchent plus largement toute la Belgique de par la spécificité du support (presse écrite, internet…).

Deux constats clairs peuvent être mis en avant pour cette année 2005 et confirment clairement les tendances rencontrées en 2004.

Le premier est le maintient d’un nombre important d’incidents à Anvers. Alors qu’en 2002, sur les 62 incidents recensés, 7 seulement ont été perpétrés à Anvers et que, pour l’année 2003, on n’en a compté que 3 sur 28, en 2004, 20 incidents antisémites ont été recensés sur Anvers et 19 nouveaux ont pu être enregistrés pour l’année 2005.

Quant au second constat, il pointe la différence claire de la nature des incidents antisémites entre Anvers et les autres villes du pays. Sur la base des incidents recensés, 75% des attaques sur les personnes ont été perpétrées à l’encontre de membres de la Communauté juive anversoise. A Bruxelles, on relève par contre une grande augmentation des actes de vandalisme (croix gammées, celtiques…).

Ces constats ne relèvent aucunement du hasard et plusieurs raisons peuvent être avancées pour le confirmer. Tout d’abord, la grande majorité des victimes d’actes antisémites à Anvers sont les juifs orthodoxes. Ceux-ci sont victimes de bien plus d’actes antisémites que ceux recensés. Seulement, ces victimes ne réagissent que très peu. Ce n’est que grâce à un travail de sensibilisation des organisations juives anversoises que les victimes issues de de la communauté orthodoxe prennent maintenant de plus en plus l’initiative de déposer plainte. Cette tranche de la communauté est plus facilement reconnaissable en tant que juive de par l’habillement de ses membres et constitue par conséquent une cible beaucoup plus facilement repérable pour les auteurs d’agression. Enfin, l’AEL (Arab European League) est très bien implantée dans la Communauté arabo-musulmane anversoise. Ses nombreux communiqués sur l’actualité au Proche-Orient, visant à combattre l’ennemi sioniste et à stigmatiser Anvers comme la capitale du sionisme européen, devant, à leurs yeux, devenir la Mecque du combat pour la liberté du peuple palestinien, importent le conflit et amènent des jeunes habilement manipulés à commettre de tels actes.

Le nombre d’actes antisémites peut paraître élevé puisqu’il égale presque les 62 actes recensés en 2002, année où s’est déroulée en Israël l’« Opération Rempart », opération qui a fait des vagues partout dans le monde et a, entre autres en Belgique et en France, été prétexte à l’importation du conflit et au passage à l’acte antisémite de certains au nom de l’antisionisme. Le nombre élevé d’actes antisémites ne signifie pas pour autant qu’il y a une augmentation de l’antisémitisme en Belgique mais est plutôt le résultat d’une meilleure communication des incidents et d’une meilleure collaboration avec les autorités compétentes.

Enfin, au niveau politique, deux résolutions du Sénat et du Parlement bruxellois ont été adoptées afin de demander aux autorités compétentes de réagir plus fermement contre l’antisémitisme, en poursuivant de façon systématique les auteurs d’actes antisémites, négationnistes et révisionnistes. Il est également demandé aux autorités compétentes de prendre toutes les mesures nécessaires pour assurer la protection nécessaire et indispensable des membres des diverses communautés dans le cadre de leurs pratiques religieuses ou lors de la fréquentation de leurs écoles et de leurs lieux communautaires. En 2004, l’ancienne ministre de l’Egalité des Chances, Marie Arena, avait déjà, suite à plusieurs actes antisémites graves, présenté un plan en 10 points pour lutter contre le racisme et l’antisémitisme. Toutes ces initiatives doivent encore être concrétisées dans les faits…
Date: 2014
Abstract: Antisemitisme.be recense, depuis l’année 2001, les actes antisémites commis sur l’ensemble du territoire belge et, chaque année, publie un rapport sur l’antisémitisme en Belgique.Dans ce document, vous découvrirez la liste de tous les incidents recensés, notre méthodologie de travail, une réflexion sur l’antisionisme ainsi qu’une analyse de l’année écoulée.
S’agissant du rapport 2013, vous n’y retrouverez pas de trace de l’attentat du 24 mai 2014 contre le Musée Juif de Belgique qui a fait 4 morts.

Vous n’y trouverez pas non plus les signalements les plus récents liés à Laurent Louis, Dieudonné et le congrès (interdit) de la dissidence européenne qui devait se tenir le 4 mai 2014 à Bruxelles.

Les incidents recensés et analysés dans ce rapport sont ceux qui nous ont été communiqués ou qui ont fait l’objet d’une plainte pour racisme. Les chiffres repris dans cette analyse reflètent bien sûr une tendance et non une photographie exacte dans l’antisémitisme en Belgique.

Comme la Communauté juive en a fait la tragique expérience ce samedi 24 mai 2014, l’antisémitisme ne se quantifie pas seulement par les chiffres mais aussi par la nature des incidents recensés.

Tant que les membres de la Communauté juive se sentiront, à juste titre, en insécurité, tant que les institutions juives auront besoin d’être protégées, tant qu’ils ne pourront pas circuler comme tout citoyen belge en toute sécurité lorsqu’il arbore un signe apparent de judaïté (kippa, étoile de David…), l’antisémitisme devra être combattu et les autorités politiques devront y mettre tous les moyens.


Sinds 2001, identificeert Antisemitisme.be antisemitische handelingen in het hele Belgische grondgebied, en publiceert jaarlijks een verslag over antisemitisme in België.

In dit document vind u een lijst van alle bekende incidenten, onze werk methodologie, alsook een reflectie op anti-zionisme en een analyse van het afgelopen jaar.

Met betrekking tot het verslag van 2013, hierin zal niets vermeld worden over de aanval van 24 mei 2014 tegen het Joods Museum van België, waarbij 4 doden zijn te betreuren.

Tevens zult u niets vinden van de meest recente rapporten met betrekking tot Laurent Louis en Dieudonné, noch van de (verboden) Europees Congres van Dissidentie welke op 4 mei 2014 zou worden gehouden in Brussel.

Incidenten geïdentificeerd en geanalyseerd in dit verslag zijn ofwel gecommuniceerd of dat het onderwerp van een klacht over racisme zijn geweest. De cijfers in deze analyse, zijn zeker als gevolg van een trend, maar geven niet een nauwkeurig beeld van antisemitisme in België.

Antisemitisme kan niet worden gekwantificeerd in aantallen, maar ook door de ernst van de incidenten, zoals de tragische ervaring die de Joodse gemeenschap zaterdag 24 mei, jl. heeft mee moeten maken.

Zolang de leden van de Joodse gemeenschap zich terecht onveilig voelen, de Joodse instellingen beschermd moeten worden, ze niet in staat zijn om veilig te bewegen net als elke andere Belg wanneer ze enig duidelijk teken van joodse identiteit (Kippa, Ster van David, …) dragen, moet antisemitisme bestreden worden en de politieke autoriteiten moeten alle middelen in deze strijd zetten.
Date: 2015
Abstract: Antisemitisme.be recense, depuis l’année 2001, les actes antisémites commis sur l’ensemble du territoire belge et, chaque année, publie un rapport sur l’antisémitisme en Belgique.Dans ce document, vous découvrirez la liste de tous les incidents recensés, notre méthodologie de travail, une réflexion sur l’antisionisme ainsi qu’une analyse de l’année écoulée.

Les incidents recensés et analysés dans ce rapport sont ceux qui nous ont été communiqués ou qui ont fait l’objet d’une plainte pour racisme. Les chiffres repris dans cette analyse reflètent bien sûr une tendance et non une photographie exacte dans l’antisémitisme en Belgique.

Comme la Communauté juive en a fait la tragique expérience le samedi 24 mai 2014 après l’attentat contre le Musée Juif de Belgique, l’antisémitisme ne se quantifie pas seulement par les chiffres mais aussi par la nature des incidents recensés.

Tant que les membres de la Communauté juive se sentiront, à juste titre, en insécurité, tant que les institutions juives auront besoin d’être protégées, tant qu’ils ne pourront pas circuler comme tout citoyen belge en toute sécurité lorsqu’il arbore un signe apparent de judaïté (kippa, étoile de David…), l’antisémitisme devra être combattu et les autorités politiques devront y mettre tous les moyens.


Sinds 2001, identificeert Antisemitisme.be antisemitische handelingen in het hele Belgische grondgebied, en publiceert jaarlijks een verslag over antisemitisme in België.

In dit document vind u onze werk methodologie en een analyse van het afgelopen jaar.

Incidenten geïdentificeerd en geanalyseerd in dit verslag zijn ofwel gecommuniceerd of dat het onderwerp van een klacht over racisme zijn geweest. De cijfers in deze analyse, zijn zeker als gevolg van een trend, maar geven niet een nauwkeurig beeld van antisemitisme in België.

Antisemitisme kan niet worden gekwantificeerd in aantallen, maar ook door de ernst van de incidenten, zoals de tragische ervaring die de Joodse gemeenschap zaterdag 24 mei, jl. heeft mee moeten maken.

Zolang de leden van de Joodse gemeenschap zich terecht onveilig voelen, de Joodse instellingen beschermd moeten worden, ze niet in staat zijn om veilig te bewegen net als elke andere Belg wanneer ze enig duidelijk teken van joodse identiteit (Kippa, Ster van David, …) dragen, moet antisemitisme bestreden worden en de politieke autoriteiten moeten alle middelen in deze strijd zetten.
Author(s): Deprez, Karolien
Date: 2004
Abstract: Sinds het voorjaar van 2002 wordt Antwerpen beschouwd als een lokale conflicthaard voor een internationaal conflict. Naar aanleiding van een aantal gewelddadige confrontaties tussen ‘joden’ en ‘moslims’ werd erop gewezen dat het Israëlisch-Palestijns conflict ook in Antwerpen voet aan grond begon te krijgen. Het gevolg daarvan zou onder andere, een toenemend antisemitisme zijn vanwege ‘islamitische’ allochtonen. De verklaringen voor de spanningen tussen beide geloofsgemeenschappen moeten volgens zowel politiek als media worden gezocht in het Israëlisch-Palestijns conflict. Antwerpse ‘moslims’ zouden sympathiseren met hun Palestijnse ‘broeders’ en hun frustratie uitwerken op hun ‘joodse’ stadsgenoten. Het transfereren van een internationale naar een lokale Antwerpse context werd gemeenzaam ‘de import van het Israëlisch-Palestijns conflict’ genoemd.

In het kader van een licentiaatverhandeling werd deze vermoedelijke identificatie onder de loep genomen. De nadruk lag daarbij niet op het geweld of op de aanwezige ‘import’ maar op de ‘joodse’ en ‘islamitische’ gemeenschappen in Antwerpen. Dit onderzoek vertrekt van de autobiografie van Dyab Abou Jahjah, ‘Tussen twee werelden. Roots van een vrijheidsstrijd’. Tijdens een reeks groepsgesprekken met zowel leden van de Antwerpse ‘joodse’ als ‘islamitische’ gemeenschappen, trachtten we te achterhalen hoe de respondenten zichzelf omschreven, hoe ze de ‘andere’ (‘joden’ of ‘moslims’) definieerden en in welke mate het Israëlisch-Palestijns conflict daar een rol bij speelde. We focusten daarbij vooral op etnische, nationale en religieuze aspecten van hun identiteit. De respondenten werden geselecteerd op basis van hun lidmaatschap van politiek-ideologische, religieuze of jongeren- of vrouwenorganisaties, al bleek het een moeilijke opdracht om organisaties te vinden die bereid waren mee te werken en tegelijkertijd binnen dit profiel pasten. De deelnemende organisaties aan ‘joodse’ kant (B’Nai B’Rith, Unie der Joodse Jongeren van Antwerpen, Women’s International Zionist Organisation –WIZO- en WIZO Informatiegroep Midden-Oosten) waren allemaal zionistische organisaties en kunnen bijgevolg allemaal als politiek-ideologisch worden gelabeld, terwijl een religieuze organisatie ontbreekt. De ‘islamitische’ organisaties (Arabisch-Europese Liga, El Moustaqbal, Jongeren voor Islam en Student Focus) daarentegen vormen wel een correct staal.

De gesprekken maakten ons duidelijk dat identiteiten, zowel bij ‘joden’ als ‘moslims’, geplaatst moeten worden binnen de context. Los van de gegeven conflictsituatie lijkt identiteit een moeilijk te definiëren begrip te zijn. De respondenten wijzen zelf op verschillende deelidentiteiten, al blijkt meestal toch één subidentiteit te overheersen. De ‘joodse’ respondenten wezen zonder meer op een sterke band met het ‘thuisland’ Israël. De ‘islamitische’ respondenten legden de nadruk op hun religieuze overtuiging, al blijkt bij de Arabisch-Europese Liga de Arabische nationale identiteit te overheersen. In die zin vertonen de standpunten van de ‘joodse’ respondenten structurele gelijkenissen met deze van de AEL. Beide hechten vooral belang aan de natie(staat), respectievelijk Israël en de Arabische natie. Bij de overige ‘islamitische’ respondenten blijkt het niet zozeer hun identiteit te zijn die de identificatie bepaalt, maar eerder de aanwezigheid van onderdrukking (i.e. een conflictsituatie). Deze ‘moslims’ identificeren zich met de Palestijnen omdat er sprake is van onderdrukking. De identificatie wordt versterkt door de gemeenschappelijke Arabische etnische afkomst of religieuze overtuiging. Zonder deze conflictsituatie zou de band hoogstwaarschijnlijk minder sterk zijn.


Daarnaast blijkt dat de etnische en religieuze identiteiten van zowel ‘joden’ als ‘moslims’ niet voor iedereen dezelfde betekenis hebben. Terwijl voor de ene het ‘joods-zijn’ enkel en alleen een religieuze overtuiging is, verwijst de andere naar de ‘joden’ als “één religie, één nationaliteit, één volk” . Hetzelfde geldt voor de ‘islamitische’ respondenten. De islam lijkt voor een aantal respondenten hun Marokkaanse etniciteit te vervangen, terwijl anderen ook daar enkel en alleen het religieuze in zien. De Marokkaanse herkomst verdwijnt binnen deze context vaak naar de achtergrond.


Wanneer we beide partijen naar hun mening over elkaar peilden, leek die vooral te worden bepaald door stereotypen en vooroordelen. Oude stereotypen zoals de ‘jood’ als ‘rijke machtswellusteling’ bestaan nog steeds, maar ook ‘moslims’ worden al te vaak beschreven als ‘terroristen’. Uit de gesprekken blijkt dat het niet enkel het Israëlisch-Palestijns conflict is dat de standpunten van beide partijen bepaalt, maar dat die moeten gesitueerd worden binnen een breder perspectief. De polarisatie duidt eerder op een ruimere identificatie, namelijk het joods-christelijke Westen tegenover het Arabisch-islamitsche Oosten. Het gebruik van termen als ‘import’ of ‘verbinnenlandsing’ geeft volgens ons bijgevolg een vertekend beeld over deze identificatieprocessen. De respondenten van dit onderzoek zijn zélf het product van deze geglobaliseerde samenleving. Hun identiteiten worden dan ook gevormd door deze ‘postnationale samenleving’, waar conflicten in een ander werelddeel zelfs in Antwerpen voor beroering kunnen zorgen. Deze identificatie blijft bijgevolg niet enkel beperkt tot Antwerpse ‘moslims’, maar geldt evengoed voor de ‘joodse’ respondenten. Het verschil tussen de ‘joodse’ en de ‘islamitische’ respondenten ligt in de manier waarop ze daar elk mee omgaan. Terwijl de ‘joden’ zich engageren in Israël zélf, trachten de ‘moslims’ hun standpunten te verdedigen in Antwerpen. We prefereren bijgevolg het begrip ‘transnationale solidariteit’ in plaats van het ‘importeren’ van een conflict. Het ‘importeren’ legt ons inziens te veel de nadruk op de grenzen van de traditionele natiestaat, terwijl uit onze gesprekken blijkt dat deze meer en meer aan belang moet inboeten. We kunnen ons niet langer opsluiten in ons eigen dorp of onze eigen natiestaat, nu de wereld zélf een dorp geworden is…